|
Uitspraak
99/1037
TW en 01/5382 TW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv dan wel
de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de
Bedrijfsvereniging voor Detailhandel, Ambachten en Huisvrouwen.
Bij besluit van 23 januari 1997 heeft appellant aan gedaagde een boete
opgelegd van f 300,- (verder: 136,13) wegens het schenden van de
mededelingsverplichting zoals is neergelegd in artikel 12 van de
Toeslagenwet (TW).
De rechtbank Alkmaar heeft bij uitspraak van 3 februari 1999 het tegen
dat besluit ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit
vernietigd.
Namens appellant is tegen die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij schrijven van 1 oktober 2001 heeft appellant een nader besluit van
diezelfde datum ingezonden.
De gedingen zijn ter behandeling aan de orde gesteld op 12 december
2001, waar partijen niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak overwogen dat appellant
terecht heeft aangenomen dat gedaagde zijn mededelingsverplichting
ingevolge artikel 12 van de TW heeft geschonden, aangezien gedaagde niet
onverwijld aan appellant heeft doorgegeven dat hij met ingang van 2
november 1996 werkzaamheden is gaan verrichten. Met betrekking tot de
hoogte van de door appellant opgelegde boete heeft de rechtbank
geoordeeld dat zij gelet op het benadelingsbedrag van f 96,40 (
41,93) een boete van 136,13 niet evenredig acht in verhouding tot de
ernst van de gedaagde verweten overtreding. De rechtbank heeft
vervolgens het door gedaagde tegen het bestreden besluit van 23 januari
1997 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Appellant heeft in hoger beroep de zienswijze van de rechtbank wat
betreft haar oordeel omtrent de hoogte van de boete bestreden. Naar de
mening van appellant is er geen sprake van een onevenredigheid tussen de
hoogte van de opgelegde boete van 136,13 en de ernst van de
gedraging.
Bij het in rubriek I vermelde schrijven van 1 oktober 2001 heeft
appellant evenwel meegedeeld dat gelet op het met ingang van 1 februari
2001 inwerking getreden Boetebesluit sociale zekerheidswetten (besluit
van 14 oktober 2000, Stb. 462, hierna: Boetebesluit) alsnog het
standpunt wordt ingenomen dat met toepassing van artikel 5, tweede lid,
van het Boetebesluit de hoogte van de boete verlaagd dient te worden van
136,13 naar f 100,- (hierna: 45,38). Hiermee is - ten materiλle
- de grondslag aan het hoger beroep komen te ontvallen.
Appellant heeft bij dat schrijven van 1 oktober 2001 tevens verzocht om
zijn nieuwe besluit van diezelfde datum, bij welk besluit hij
overeenkomstig zijn nadere standpunt gedaagde een boete heeft opgelegd
van 45,38, bij de onderhavige beoordeling mee te nemen.
Gelet op het nadere standpunt van appellant als hiervoor weergegeven,
ziet de Raad aanleiding appellants hoger beroep, wegens het ontbreken
van een relevant procesbelang, niet-ontvankelijk te verklaren.
Tevens ziet de Raad, daarbij vaststellende dat met appellants nadere
besluit van 1 oktober 2001 niet volledig is tegemoet gekomen aan
gedaagdes opvatting - gedaagde handhaaft ook in hoger beroep het
standpunt dat hem ten onrechte een boete is opgelegd -, aanleiding om
met toepassing van de artikelen 6:19, eerste lid, en 6:24 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) het nadere besluit van 1 oktober 2001
in dit geding te betrekken.
De Raad heeft thans de vraag te beantwoorden of appellant bij het nadere
besluit van 1 oktober 2001 aan gedaagde terecht een boete heeft opgelegd
ter hoogte van 45,38. Te dien aanzien overweegt de Raad als volgt.
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat gedaagde zijn
mededelingsverplichting jegens appellant, welke verplichting is
neergelegd in artikel 12 van de TW, heeft geschonden en stelt zich
daarbij achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak. Voorts
heeft de Raad in de in het dossier aanwezige stukken geen
aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in het geval van
gedaagde sprake is van een verminderde verwijtbaarheid met betrekking
tot de bedoelde overtreding dan wel van een geheel ontbreken van die
verwijtbaarheid.
Gelet hierop is de Raad dan ook met appellant van oordeel dat een boete
van 45,38, die in overeenstemming met de nadere regelgeving is
opgelegd, strookt met het bepaalde in artikel 14a, tweede lid, van de
TW.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb nu in hoger beroep niet van voor
vergoeding in aanmerking komende kosten is gebleken.
Derhalve dient te worden beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep dat gedaagde geacht moet worden te hebben ingesteld
tegen het besluit van 1 oktober 2001, ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, en mr. W.D.M. van
Diepenbeek en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in
tegenwoordigheid van M.H.A. Jenniskens als griffier, en in het openbaar
uitgesproken op 23 januari 2001.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.H.A. Jenniskens.
|
|