|
Uitspraak
00/1630
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
Werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 10 juli 1998 heeft gedaagde vastgesteld dat appellant
vanaf 21 februari 1994 geen recht heeft op een toeslag ingevolge de
Toeslagenwet (TW) op zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering.
Bij besluit van 19 oktober 1998 heeft gedaagde vastgesteld dat appellant
vanaf 6 juli 1998 geen recht meer heeft op een toeslag op zijn
arbeidsongeschiktheidsuitkering, waarna bij besluit van 5 november 1998
aan appellant een boete is opgelegd van 600,- ( 272,27) vanwege
schending van de mededelingsverplichting.
Bij besluit van 13 november 1998 heeft gedaagde van appellant over de
periode van 21 februari 1994 tot 15 mei 1996 teruggevorderd een bedrag
van f 17.614,82 ( 7.993,26) bruto aan onverschuldigd betaalde
uitkering.
Bij besluit van 2 maart 1999 heeft gedaagde de bezwaren van appellant
tegen de besluiten van 10 juli 1998, 5 november 1998 en 13 november 1998
ongegrond verklaard.
De rechtbank 's-Gravenhage heeft bij uitspraak van 24 februari 2000 het
beroep tegen het besluit van 2 maart 1999 ongegrond verklaard.
Namens appellant is mr. M.H. Samama, advocaat te Den Haag, bij
beroepschrift van 23 maart 2000 van die uitspraak in hoger beroep
gekomen. Op 19 juli 2000 zijn de gronden van het beroep aangevuld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 december 2001, waar
appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Samama, en waar
gedaagde, zoals aangekondigd, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Het hoger beroep voor zover dit betrekking heeft op de in bezwaar
gehandhaafde besluiten van 10 juli 1998 en 13 november 1998.
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten en
omstandigheden.
Op 11 februari 1994 heeft appellant bij gedaagde een toeslag op zijn
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
aangevraagd. Bij besluit van 24 februari 1994 is hem een toeslag
toegekend met ingang van 4 februari 1994.
Op 5 september 1995 heeft gedaagde van appellant een
inlichtingenformulier ontvangen waarop appellant heeft aangegeven dat
zijn echtgenote heeft gewerkt van februari 1994 tot en met mei 1994 en
in de weken 19 en 20 van 1995.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 27 oktober 1995 appellant
meegedeeld dat hij over de periode van 1 februari 1994 tot 1 juni 1994
en over de periode van 1 september 1994 tot 1 juli 1995 geen recht had
op een toeslag vanwege de door zijn echtgenote verworven inkomsten.
Tegen dit besluit heeft appellant geen beroep ingesteld.
Op 15 november 1995 heeft gedaagde van het toenmalige gezamenlijk
uitvoeringsorgaan GUO een afschrift van een brief van 11 oktober 1994,
gericht aan de echtgenote van appellant, ontvangen waarin haar wordt
meegedeeld dat zij van 12 september 1994 tot en met 11 maart 1995 een
basis WW-uitkering ontvangt, aansluitend een verlengde WW-uitkering tot
11 september 1995 en daarna een vervolguitkering over de periode van 12
september 1994 tot en met 11 september 1996.
Op het op 22 juli 1996 door gedaagde van appellant ontvangen
inlichtingenformulier heeft appellant vermeld dat zijn echtgenote sedert
9 december 1994 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontvangt. Op
het op 26 september 1996 door gedaagde ontvangen inlichtingenformulier
heeft appellant vermeld dat zijn echtgenote in 1995 en 1996 geen
inkomsten heeft genoten.
Bij brief van 11 november 1996 heeft het Algemeen Maatschappelijk Werk
Den Haag gedaagde onder meer meegedeeld dat de echtgenote van appellant
over de periode van 21 februari 1994 tot 9 september 1994 inkomen uit
arbeid heeft ontvangen.
Bij besluit van 10 juli 1998 heeft gedaagde de aan appellant toegekende
toeslag met terugwerkende kracht tot 21 februari 1994 ingetrokken. Bij
het besluit van 13 november 1998 heeft gedaagde de onverschuldigd
betaalde toeslag over de periode van 21 februari 1994 tot 15 mei 1996
van appellant teruggevorderd op de grond dat door toedoen van appellant
onverschuldigd toeslag is betaald. Het door appellant tegen de besluiten
van 10 juli 1998 en 13 november 1998 ingediende bezwaar is door gedaagde
bij besluit van 2 maart 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde bevestigd en daarbij
overwogen dat de toeslag met terugwerkende kracht kon worden
ingetrokken, aangezien appellant niet uit eigen beweging onverwijld aan
gedaagde de juiste informatie over de inkomsten van zijn echtgenote had
verschaft en gedaagde derhalve door toedoen van appellant ten onrechte
toeslag had betaald. Voorts was de rechtbank van oordeel dat gedaagde
bevoegd was de onverschuldigd betaalde toeslag op grond van toedoen over
de door gedaagde aangegeven periode terug te vorderen.
Appellant stelt zich op het standpunt dat niet door zijn toedoen ten
onrechte toeslag is betaald en dat hem ook niet redelijkerwijs duidelijk
kon zijn dat ten onrechte toeslag werd betaald. Appellant had geen zicht
op de samenstelling van de hem over 1994 en 1995 toegekende bedragen aan
uitkering, nu die bedragen steeds verschillend waren. Appellant dacht
dat vanaf oktober 1995 geen toeslag meer werd verleend. Hij ging er
vanuit dat de toeslag niet meer automatisch werd uitbetaald en dat al
rekening was gehouden met het feit dat zijn echtgenote inkomsten had.
Appellant meent dat gedaagde dan ook niet bevoegd is om met
terugwerkende kracht de ten onrechte betaalde toeslag van hem terug te
vorderen en dat, nu geen sprake is van toedoen, zeker niet over een
termijn van 5 jaren mag worden teruggevorderd.
De Raad overweegt als volgt.
Bij het hiervoor vermelde besluit van 27 oktober 1995 heeft gedaagde
appellant meegedeeld dat hij over de periode van 1 februari 1994 tot 1
juni 1994 en van 1 september 1994 tot 1 juli 1995 geen recht had op een
toeslag op zijn uitkering ingevolge de AAW. Dit besluit staat in rechte
vast.
Bij het in bezwaar gehandhaafde besluit van 10 juli 1998 heeft gedaagde
appellant meegedeeld dat hij vanaf 21 februari 1994 geen recht meer
heeft op toeslag. Nu niet is gebleken dat gedaagde het besluit van 27
oktober 1995 heeft ingetrokken stelt de Raad vast dat gedaagde twee keer
heeft besloten dat appellant geen aanspraak heeft op toeslag over de
perioden 21 februari 1994 tot 1 juni 1994 en 1 september 1994 tot 1 juli
1995. De Raad is derhalve van oordeel dat het besluit van 10 juli 1998
en het besluit op bezwaar van 2 maart 1999 voor zover deze besluiten
betrekking hebben op het recht op toeslag van appellant over genoemde
perioden niet op rechtsgevolg zijn gericht. De aangevallen uitspraak en
het besluit op bezwaar van 2 maart 1999 komen dan ook in zoverre voor
vernietiging in aanmerking.
Voorts overweegt de Raad dat gelet op het in rechte vaststaande besluit
van 27 oktober 1995 vaststaat dat appellant over de perioden 21 februari
1994 tot 1 juni 1994 en 1 september 1994 tot 1 juli 1995 ten onrechte
toeslag op zijn uitkering ingevolge de AAW heeft ontvangen. Appellant
heeft in eerste aanleg en in hoger beroep niet bestreden dat zijn
echtgenote in de periode van 1 juni 1994 tot 1 september 1994 en 1 juli
1995 tot 11 september 1996 inkomen heeft ontvangen en dat mede gelet op
de hoogte van die inkomsten aan hem ten onrechte toeslag op zijn
uitkering is betaald. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat
gedaagde door toedoen van appellant vanaf 21 februari 1994 ten onrechte
toeslag aan hem heeft betaald, zodat gedaagde op goede gronden heeft
besloten tot intrekking van de toeslag.
De grief van appellant voor zover gericht tegen de handhaving van het
standpunt van gedaagde dat appellant over de perioden 1 juni 1994 tot 1
september 1994 en 1 juli 1995 tot 11 september 1996 geen recht op
toeslag op zijn uitkering ingevolge de AAW had, dient dan ook verworpen
te worden. Tegen de achtergrond van het gegeven dat appellant ook reeds
in 1993 te maken had met terugvordering van toeslag omdat zijn
echtgenote inkomsten had, is de Raad van oordeel dat niet kan worden
gezegd dat appellant met de onderhavige terugvordering geen rekening
hoefde te houden en dat daarom aan die terugvordering geen terugwerkende
kracht kon en mocht worden verleend.
Gelet op het vorenoverwogene staat vast dat de door gedaagde over de
periode van 21 februari 1994 tot 15 mei 1996 betaalde toeslag
onverschuldigd is betaald.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat gedaagde de terugvordering
van de over die periode onverschuldigd betaalde toeslag terecht heeft
gebaseerd op toedoen van appellant, nu sprake is geweest van onjuiste en
onvolledige informatieverschaffing door appellant. De Raad onderschrijft
hetgeen de rechtbank ter zake heeft overwogen. Voorts is de Raad niet
gebleken dat het door gedaagde van appellant teruggevorderde bedrag
onjuist is. Het beroep van appellant voor zover dit is gericht tegen het
in bezwaar gehandhaafde besluit van 13 november 1998 dient dan ook
ongegrond te worden verklaard.
Het hoger beroep voor zover betrekking hebbend op het in bezwaar
gehandhaafde besluit van 5 november 1998.
Op 17 september 1997 heeft appellant wederom een toeslag op zijn
uitkering ingevolge de AAW aangevraagd. Deze toeslag is appellant
toegekend met ingang van 4 maart 1998. Bij besluit van 19 oktober 1998
heeft gedaagde deze toeslag met ingang van 6 juli 1998 beλindigd omdat
de echtgenote van appellant met ingang van die datum inkomsten uit
arbeid heeft ontvangen en het gezinsinkomen als gevolg daarvan vanaf die
datum hoger was dan het wettelijk minimumloon.
Bij het besluit van 5 november 1998 heeft gedaagde appellant een boete
van 600,- ( 272,26) opgelegd wegens schending van de
mededelingenplicht omdat hij te laat mededeling had gedaan van de sedert
6 juli 1998 door zijn echtgenote verworven inkomsten.
De rechtbank heeft geoordeeld dat er voldoende grondslag voor het
opleggen van een boete was en dat er geen reden was de boete te matigen.
Appellant stelt zich op het standpunt dat de boete moet worden gematigd,
nu hij het gehele bedrag aan ten onrechte ontvangen toeslag ondanks zijn
slechte financiλle situatie netto heeft terugbetaald en er ook geen
schade voor gedaagde was.
De Raad overweegt dat de echtgenote van appellant op 6 juli 1998 is gaan
werken met een proeftijd van twee maanden. Na afloop van deze proeftijd
heeft appellant bij gedaagde gemeld dat zijn echtgenote inkomsten had.
Ingevolge artikel 12 van de TW is degene die aanspraak maakt op een
toeslag verplicht aan gedaagde op zijn verzoek of onverwijld uit eigen
beweging alle feiten of omstandigheden mee te delen waarvan hem of haar
redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht op toeslag, de hoogte van de toeslag, het geldend maken van
het recht op toeslag of op het bedrag van de toeslag dat wordt betaald.
Artikel 14a, eerste lid, van de TW bepaalt dat, indien degene die
aanspraak maakt op een toeslag de verplichting bedoeld in artikel 12
niet of niet behoorlijk is nagekomen gedaagde hem een boete van ten
hoogste 5.000,- ( 2.268,90) oplegt.
Ingevolge het tweede lid, van artikel 14a van de TW wordt de hoogte van
de boete afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin degene
die aanspraak maakt op een toeslag de gedraging verweten kan worden en
de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete
wordt in elk geval afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid
ontbreekt.
Ingevolge het derde lid, van artikel 14a van de TW kan gedaagde indien
daarvoor dringende redenen zijn besluiten van het opleggen van een boete
af te zien.
Vaststaat dat appellant na twee maanden en derhalve niet onverwijld
heeft gemeld dat zijn echtgenote met ingang van 6 juli 1998 inkomsten
uit arbeid genoot. Gelet daarop heeft appellant de mededelingenplicht
van artikel 12 TW geschonden en was gedaagde in beginsel verplicht
appellant een boete op te leggen. De Raad is niet gebleken van
omstandigheden op grond waarvan zou moeten worden gezegd dat sprake is
van verminderde verwijtbaarheid aan de zijde van appellant of van een
dringende reden op grond waarvan gedaagde van het opleggen van een boete
had behoren af te zien. Dat appellant al op 5 november 1998 de
onverschuldigd betaalde toeslag aan gedaagde had terugbetaald, is geen
reden om anders te oordelen.
Gedaagde heeft de boete op de schending van artikel 12 van de TW, gelet
op de hoogte van het benadelingsbedrag van 2762,01 ( 1.253,35),
conform het bepaalde in artikel 4, juncto artikel 3, van het
Boetebesluit Lisv van 10 december 1997, Stcrt. 1997, 247, in werking
getreden op 1 januari 1998, vastgesteld op 600,- ( 272,27). De
Raad stelt vast dat het op 1 februari 2001 in werking getreden
Boetebesluit socialezekerheidswetten van 14 oktober 2000 (Stb. 462) voor
het aan appellant verweten gedrag voorziet in het opleggen van een
lichtere boete. Nu uit de uitspraak van de Raad van 1 maart 2000,
gepubliceerd in RSV 2000/87, voortvloeit dat bezien moet worden of een
besluit waarbij een bestuurlijke boete is opgelegd in overeenstemming is
met een nadien totstandgekomen regeling waarbij voorzien is in een
lichtere straf, kan het besluit van 2 maart 1999 voor zover daarbij het
besluit van 5 november 1998 is gehandhaafd niet in stand blijven. De
aangevallen uitspraak dient dan ook tevens in zoverre te worden
vernietigd en het inleidend beroep dient in zoverre gegrond te worden
verklaard.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht (Awb) gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op 1288,- voor verleende rechtsbijstand
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op de
vaststelling van het recht op toeslag van appellant over de periode van
21 februari 1994 tot 1 juni 1994 en de periode 1 september 1994 tot 1
juli 1995, en voor zover daarbij het beroep van appellant tegen de
handhaving van het besluit van 5 november 1998 ongegrond is verklaard;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 2 maart 1999 in zoverre
alsnog gegrond en vernietigt dat besluit in zoverre;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige.
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant, in eerste aanleg
tot een bedrag groot 644,00 en in hoger beroep tot een bedrag groot
644,00 in totaal 1.288,00 te betalen door het Uitvoeringsorgaan
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad.
Bepaalt dat het Uitvoeringsorgaan werknemersverzekeringen aan appellant
het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde griffierecht
van in totaal 104,37 ( 230,-) vergoedt.
Aldus gegeven door mr. W.D.M. van Diepenbeek als voorzitter en mr. T.L.
de Vries en mr. M.S.E. Wulffraat-van Dijk als leden, in tegenwoordigheid
van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16
januari 2002.
(get.) W.D.M. van Diepenbeek.
(get.) A. van Netten.
|
|