|
Uitspraak
00/3767
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 15 september 1999 heeft gedaagde appellante meegedeeld
over te gaan tot invordering van hetgeen gedaagde onverschuldigd heeft
betaald aan uitkering krachtens de Toeslagenwet (TW). Gedaagde heeft
daarbij de beslagvrije voet van het inkomen van appellante vastgesteld
op nihil en bepaald dat het bedrag van f 2634,42 zal worden verrekend in
maandelijkse termijnen van f 219,54.
Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 16
december 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank Rotterdam heeft het tegen laatstgenoemd besluit ingestelde
beroep bij uitspraak van 12 juli 2000 ongegrond verklaard.
Namens appellante heeft mr. M.J. Blom. advocaat te Spijkenisse, op bij
beroepschrift aangevoerde gronden tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld.
Gedaagde heeft bij schrijven van 26 oktober 2000 van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 maart
2003, waar appellante niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft
doen vertegenwoordigen door mr. J. Nieuwstraten, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 22 april 1999 is een bedrag van f 2290,80 aan
onverschuldigd betaalde uitkering ingevolge de TW van appellante
teruggevorderd. Dit bedrag is bij besluit van 21 juni 1999 verhoogd met
de invorderingskosten van f 343,62, omdat appellante niet tot
terugbetaling was overgegaan noch met gedaagde in overleg was getreden
over een terugbetalingsregeling. Bij deze besluiten heeft gedaagde een
formulier gezonden waarin appellante inlichtingen werd gevraagd over
haar sociaalfinanciële situatie. De tegen deze besluiten gemaakte
bezwaren heeft appellante ingetrokken, waardoor deze besluiten
onherroepelijk zijn geworden.
Omdat op 15 september 1999 nog geen betaling van appellante was
ontvangen en het hiervoor bedoelde inlichtingenformulier niet was
ontvangen, heeft gedaagde bij besluit van die datum de beslagvrije voet
op nihil gesteld en besloten het verschuldigde te verrekenen in
maandelijkse termijnen van f 219,54.
Daaraan is ten grondslag gelegd het bepaalde in de artikelen 14g, 20 en
20a van de TW, het Besluit Lisv van 31 maart 1999, Stcrt. 1999,75 inzake
betaling, terugvordering en tenuitvoerlegging van boeten en
onverschuldigd betaalde uitkering ex artikel 20b van de TW (hierna: Beleidsregel terug- en invordering Lisv)
en de artikelen 475 tot en met 475i van het Wetboek van Burgerlijke
rechtsvordering (Rv).
Bij het thans bestreden besluit op bezwaar heeft gedaagde de
nihilstelling van de beslagvrije voet gehandhaafd, omdat de in bezwaar
van appellante ontvangen informatie dat zij een uitkering ingevolge de
Algemene bijstandswet ontving, niet gelijk kan worden gesteld met de
gevraagde informatie met betrekking tot haar sociaalfinanciële
situatie.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten. Daartoe is
overwogen dat het argument dat appellante geen terugbetalingscapaciteit
heeft, omdat zij een bijstandsuitkering ontvangt, niet kan slagen.
Ingevolge artikel 475c tot en met 475e Rv bedraagt de beslagvrije voet
voor schuldenaren in beginsel 90% van de bijstandsnorm. Hieruit heeft de
rechtbank afgeleid dat ook personen die voor hun levensonderhoud zijn
aangewezen op een bijstandsuitkering in staat worden geacht van deze
uitkering schulden af te lossen. Nu appellante ook in beroep volstaan
heeft met een niet onderbouwde en niet gespecificeerde stelling ter zake
van een bijstandsuitkering en haar woonlasten, heeft de rechtbank
geoordeeld dat gedaagde bij het bestreden besluit het bezwaar tegen de
nihilstelling van de beslagvrije voet op juiste gronden ongegrond heeft
verklaard.
In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat bij gedaagde bekend
was dat appellante een bijstandsuitkering had, waarover zij overigens
ook informatie heeft overgelegd. Ten onrechte is daarom de beslagvrije
voet niet toegepast.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 20, zesde lid, van de TW is degene van wie uitkering
wordt teruggevorderd verplicht desgevraagd aan gedaagde de inlichtingen
verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn. Voorts is in
artikel 20a, tweede lid, van de TW in verbinding met artikel 14g,
achtste lid, van de TW bepaald dat de ten uitvoerlegging van de
terugvordering zodanig geschiedt dat degene die aanspraak maakt op een
toeslag blijft beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije
voet bedoeld in de artikelen 475c tot en met 475e Rv. Artikel 14g,
negende lid, van de TW bepaalt dat de beslagvrije voet niet geldt als de
betrokkene zijn verplichting tot het verstrekken van inlichtingen die
voor de tenuitvoerlegging van belang zijn niet of niet behoorlijk
nakomt.
In artikel 475c, aanhef en sub c, Rv is bepaald dat een beslagvrije voet
is verbonden aan vorderingen tot periodieke betaling van uitkeringen op
grond van socialezekerheidswetten, uitgezonderd kinderbijslag onder
welke benaming ook.
In artikel 475d Rv is voor een aantal situaties een berekening gegeven
van de beslagvrije voet en in welke situaties een verhoging dan wel een
verlaging plaatsvindt. Artikel 475e Rv regelt dat geen beslagvrije voet
geldt voor vorderingen van een schuldenaar die niet in Nederland woont
of vast verblijft.
Ten slotte is in de Beleidsregel terug- en invordering Lisv onder punt 7
"De beslagvrije voet" vermeld:
"De vanaf invoering van de wet geldende invorderingartikelen
(artikel 27g WW e.d.) bepalen dat de tenuitvoerlegging van een
terugvorderingsbesluit zodanig geschiedt dat de schuldenaar blijft
beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet zoals bedoeld
in de artikelen 475c en 475d Rv. Uitgangspunt voor de hoogte van de
beslagvrije voet is de grens van 90% van de voor de schuldenaar geldende
bijstandsnorm inclusief de vakantieaanspraken. Afhankelijk van de
specifieke sociaalfinanciële situatie van de schuldenaar dient deze
grens op grond van de toepasselijke bepalingen van Rv verhoogd of
verlaagd te worden. Voor de vaststelling van de juiste beslagvrije voet
zal onderzoek moeten worden verricht naar tenminste de volgende
aspecten:
- de leefvorm (echtpaar/samenwonenden, eenoudergezin, alleenstaande) van
de schuldenaar;
- het eventuele inkomen van de partner van de schuldenaar;
- de totale bijdrage van de schuldenaar aan ziektekostenverzekeringen
(hieronder wordt ook verstaan de vrijwillige aanvullende Zfw-premie en
de nominale Zfw/AWBZ-premie);
- de maandelijkse huur- dan wel hypotheeklast van de schuldenaar en de
eventueel ontvangen huursubsidie dan wel woonkostentoeslag;
- eventuele andere periodieke inkomsten van de schuldenaar.
De Raad is van oordeel dat inlichtingen omtrent vorenomschreven aspecten
voor een rechtens juiste uitvoering van hetgeen in de artikelen 475c en
475d Rv is bepaald omtrent de beslagvrije voet, noodzakelijk zijn.
Gedaagde heeft derhalve op goede gronden bij appellante middels
toezending van een inlichtingenformulier daarnaar navraag gedaan.
De vraag of appellante door geen verdere mededelingen te doen dan de
mededeling dat zij een bijstandsuitkering ontving haar
inlichtingenplicht als bedoeld in artikel 14a, vijfde lid, juncto
artikel 14g, negende lid, van de TW heeft geschonden, en als gevolg
daarvan de bepalingen omtrent de beslagvrije voet niet van toepassing
zijn, beantwoordt de Raad bevestigend. Voor de tenuitvoerlegging van de
terugvordering en de daarbij te hanteren beslagvrije voet zijn de door
gedaagde gevraagde inlichtingen van belang. Door deze slechts
summierlijk te verstrekken heeft appellante de op haar rustende
inlichtingenplicht geschonden. Aan de bepalingen omtrent de beslagvrije
voet was gedaagde derhalve niet gebonden.
Door de beslagvrije voet op nihil te stellen heeft gedaagde een besluit
genomen waarbij hij binnen de grenzen van de wet is gebleven.
Uit het hiervoor overwogene vloeit voort dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. D.J. van der
Vos en mr. P. Ingelse als leden, in tegenwoordigheid van C.H.T.W. van
Rooijen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 april 2003.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) C.H.T.W. van Rooijen.
|
|