|
Uitspraak
01/5573 TW, 01/5569 TW, 02/1831 TW, 02/1578 TW, 02/1815 TW en 02/972 TW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant
en
[naam gedaagde 1] (gedaagde 1);
[naam gedaagde 2] (gedaagde 2);
[naam gedaagde 3] (gedaagde 3);
[naam gedaagde 4] (gedaagde 4);
[naam gedaagde 5] (gedaagde 5);
[naam gedaagde 6] (gedaagde 6);
allen te Marokko.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de
rechtbank Amsterdam van respectievelijk 18 september 2001 (gedaagden 1
en 2), 8 januari 2002 (gedaagde 6), 13 februari 2002 (gedaagde 5), 15
februari 2002 (gedaagde 3) en 1 maart 2002 (gedaagde 4), waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde 6 is een verweerschrift ingediend.
Op verzoek van de Raad heeft appellant bij brief van 22 oktober 2002
enkele stukken aan de Raad gezonden. Voorts heeft appellant bij brief
van 5 november 2002 een nadere vraag van de Raad beantwoord.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft bij
brieven van 17 januari 2003 en 7 februari 2003 vragen van de Raad
beantwoord. Naar aanleiding van een verzoek van de Raad heeft de
Staatssecretaris bij de brief van 17 januari 2003 een aantal bijlagen
gevoegd. Met een beroep op artikel 8:29 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb) heeft hij verzocht deze stukken niet ter
kennisgeving aan partijen te brengen.
De geheimhoudingskamer van de Raad heeft bij beslissingen van 7 maart
2003 bepaald dat beperking van de kennisneming van deze stukken
gerechtvaardigd is. Bij brieven van 14 maart 2003 heeft de Raad deze
beslissingen aan partijen doen toekomen.
Partijen hebben desgevraagd aan de geheimhoudingskamer van de Raad
bericht dat zij de behandelende kamer van de Raad toestemming verlenen
om mede op grondslag van deze stukken uitspraak te doen. Vervolgens zijn
de dossiers met de onderhavige stukken aan de behandelende kamer
overgedragen.
De gedingen zijn - gevoegd met de gedingen onder nummer 02/2072 en
02/2183 WAO - behandeld ter zitting van de Raad op 20 juni 2003, waar
namens appellant is verschenen mr. I.F. Pardaan, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl namens de
gedaagden 1 en 2 is verschenen mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam,
namens de gedaagden 3, 4 en 5 mr. C.A.J. de Roy van Zuydewijn, advocaat
te Amsterdam, en waar gedaagde 6 zich - met kennisgeving - niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Bij besluiten van respectievelijk 28 november 2000 (gedaagden 1, 2, 3, 4
en 5) en 15 januari 2001 (gedaagde 6) heeft appellant aan gedaagden, die
allen woonachtig zijn in Marokko en een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen, medegedeeld dat de
aan hen toegekende toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) vanaf 1
januari 2000 wordt afgebouwd in een periode van drie jaar. Over het jaar
2000 wordt nog de volledige toeslag uitbetaald waarop gedaagden recht
zouden hebben indien zij in Nederland woonden, over het jaar 2001 twee
derden van deze toeslag, over het jaar 2002 een derde van deze toeslag,
en met ingang van 1 januari 2003 wordt de toeslag geheel beëindigd.
Deze besluiten zijn gebaseerd op artikel 4a van de TW in samenhang met
artikel XI van de Wet beperking export uitkeringen.
De tegen deze besluiten gemaakte bezwaren heeft appellant ongegrond
verklaard bij besluiten van respectievelijk 22 januari 2001 (gedaagde
2), 26 januari 2001 (gedaagde 1), 6 maart 2001 (gedaagden 5 en 6), 22
maart 2001 (gedaagde 3) en 18 april 2001 (gedaagde 4).
De rechtbank Amsterdam heeft de beroepen van gedaagden tegen deze
besluiten bij de aangevallen uitspraken gegrond verklaard en die
besluiten vernietigd. Daarbij zijn tevens bepalingen gegeven omtrent de
vergoeding van griffierecht en proceskosten. Volgens de rechtbank is de
afbouw van de toeslag in strijd met artikel 5, eerste lid van het
Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der
Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34, verder: het NMV),
welk artikellid voorziet in een verbod tot vermindering, wijziging,
schorsing, intrekking of verbeurdverklaring van een op grond van de
wettelijke regeling van een verdragsluitende partij verkregen uitkering
bij invaliditeit op grond van het feit dat de rechthebbende woont op het
grondgebied van een andere verdragsluitende partij dan die op het
grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich
bevindt.
Appellant heeft in hoger beroep gesteld dat de afbouw van de toeslag
over de periode van 1 januari 2001 tot 1 augustus 2002 niet in strijd is
met het NMV, zoals dat verdrag in die periode luidde. Appellant is van
mening dat de TW in genoemde periode niet onder de materiële
werkingssfeer van dit verdrag viel. Derhalve viel de TW ook niet onder
de exportverplichting van artikel 5 van dit verdrag, aldus appellant.
Ook de wijziging van het NMV (Trb. 2002, 132, verder: het
Wijzigingsverdrag van 2002) waaraan per 1 augustus 2002 voorlopige
toepassing wordt gegeven, staat volgens appellant niet aan de afbouw van
de toeslag op grond van de TW in de weg. Dit wijzigingsverdrag voorziet
in een aanvulling van de materiële werkingssfeer van het NMV met
bijstand en andere prestaties uit openbare fondsen. Voorzover aangenomen
zou worden dat de TW hieronder wordt verstaan, komt deze volgens
appellant niet voor export in aanmerking. Immers, artikel 5 vermeldt
niet dat bijstand en andere prestaties uit openbare fondsen voor export
in aanmerking komen. Marokkaanse onderdanen komen op grond van het bij
het Wijzigingsverdrag van 2002 ingevoegde artikel 27a slechts voor deze
prestaties in aanmerking zolang zij op het grondgebied van Nederland
verblijven, aldus appellant.
De Raad oordeelt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil, en ook de Raad gaat ervan uit, dat
de bestreden besluiten in overeenstemming zijn met het nationale recht.
In hoger beroep is primair aan de orde de vraag of de bestreden
besluiten wegens strijd met het NMV niet in stand kunnen blijven.
Dienaangaande overweegt de Raad het volgende.
Artikel 1, eerste lid onder a van het NMV luidt als volgt:
"Dit Verdrag is van toepassing:
a) in Nederland op de wettelijke regelingen betreffende:
(...)
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (invaliditeitsverzekering);
(...)"
Artikel 1, tweede lid van het NMV luidt als volgt:
"2. Dit Verdrag is eveneens van toepassing op alle wetten of
regelingen, waarbij de wettelijke regelingen, genoemd in het eerste lid
van dit artikel, worden gewijzigd of aangevuld.
(...)"
Artikel 5, eerste lid van het NMV, luidt als volgt:
"1. De uitkeringen bij invaliditeit (…), verkregen op grond van
de wettelijke regelingen van een der Verdragsluitende Partijen, kunnen
op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken
of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende woont
op het grondgebied van een andere Verdragsluitende Partij dan die op het
grondgebied waarvan het orgaan dat de uitkering verschuldigd is, zich
bevindt."
Naar het oordeel van de Raad heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat
de TW op grond van artikel 1, tweede lid van het NMV onder de materiële
werkingssfeer van dit verdrag valt. De TW garandeert in geval van
loonderving aan uitkeringsgerechtigden die een of meer anderen tot hun
financiële last hebben, een inkomen op het niveau van het relevante
sociaal minimum. De TW vervult deze functie in aanvulling op
loondervingsregelingen waaronder de WAO. De TW kan dan ook worden
aangemerkt als een wet waarbij de wettelijke regeling betreffende de
arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt aangevuld.
Steun voor dit oordeel vindt de Raad bovendien in hetgeen door de (toen)
betrokken bewindslieden is verklaard in de nota naar aanleiding van het
verslag met betrekking tot de goedkeuring van de Verdragen inzake
sociale zekerheid met Canada en de Verenigde Staten van Amerika (TK,
vergaderjaar 1989-1990, 21 424, nr. 5). Op pagina 4 van deze nota is
onder meer het volgende aangegeven: " (...) De regering stelt zich
op het standpunt dat, gelet op de omschrijving van de materiële
werkingssfeer van beide Verdragen en mede gelet op artikel II, tweede
lid, van het Verdrag met Canada, de Toeslagenwet onder de werkingssfeer
van de Verdragen valt, waar krachtens deze wet uitkeringen ingevolge de
Nederlandse invaliditeitsverzekeringswetten kunnen worden
aangevuld."
Artikel 1, tweede lid van het NMV komt overeen met artikel II, tweede
lid van het Verdrag met Canada.
Voorts is de Raad van oordeel dat de TW tevens kan worden gezien als een
wet waarbij de wettelijke regeling betreffende de
arbeidsongeschiktheidsverzekering, bedoeld in artikel 1, eerste lid van
het NMV, is gewijzigd als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van het NMV.
In dat verband wijst de Raad erop dat vóór 1 januari 1987 diverse
loondervingsregelingen zelf een minimuminkomensgarantie boden. Zo kende
de WAO een zogenaamd minimumdagloon. Wanneer het dagloon van de
uitkeringsgerechtigde lager was dan het minimumdagloon kon onder
omstandigheden uitkering worden verstrekt op basis van dit
minimumdagloon. De TW heeft deze minimumbescherming overgenomen.
In zijn uitspraak van heden onder nummer 02/2072 en 02/2183 WAO heeft de
Raad geoordeeld dat de TW kan worden aangemerkt als een wet 'betreffende
de invaliditeitsverzekering' als bedoeld in artikel 2, eerste lid onder
b, i, van het verdrag met de Verenigde Staten. In dat verband heeft de
Raad gewezen op artikel 1, achtste lid van het verdrag met de Verenigde
Staten waaruit blijkt dat dat verdrag ook betrekking heeft op
aanvullingen op uitkeringen. Volledigheidshalve wijst de Raad er op dat
het NMV in tegenstelling tot de verdragen met de Verenigde Staten en
Canada geen definitie bevat van het begrip uitkering waardoor de TW niet
kan worden aangemerkt als een wettelijke regeling betreffende de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (invaliditeitsverzekering), als
bedoeld in artikel 1, eerste lid onder a, van het NMV.
Ten aanzien van appellants stelling dat de TW niet onder de materiële
werkingssfeer valt omdat de TW niet op verzekering is gebaseerd en dan
ook niet als een aanvulling op de WAO-verzekering kan worden gezien,
merkt de Raad op dat hij appellant hierin niet kan volgen. Het tweede
lid van artikel 1 heeft het enkel over wetten of regelingen, en niet
over wetten of regelingen die op verzekering zijn gebaseerd. Noch elders
in het verdrag noch uit de toelichtende nota blijkt dat het tweede lid
in de door appellant voorgestane zin moet worden opgevat.
De Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft in zijn
brief van 17 januari 2003 aangegeven dat er met Marokko onderhandelingen
hebben plaatsgevonden over wijziging van het NMV en dat daarbij de TW
uitdrukkelijk van de werkingssfeer van het verdrag is uitgesloten.
De Raad stelt vast dat het laatste Wijzigingsverdrag (Trb. 2002, 132)
geen wijziging heeft aangebracht in artikel 1, tweede lid van het NMV.
Derhalve valt de TW nog steeds onder de materiële werkingssfeer van het
NMV.
De Raad is voorts van oordeel dat de 'exportbepaling' neergelegd in
artikel 5, eerste lid van het NMV mede ziet op de toeslag op grond van
de TW. In de memorie van toelichting bij de goedkeuringswet met
betrekking tot het Wijzigingsverdrag van 2002 (Kamerstukken II,
vergaderjaar 2002-2003, 29005, nr. 3, pagina 3) is onder meer aangegeven
dat de redactie van de herziening van artikel 5 buiten twijfel stelt dat
er geen sprake is van export van de toeslag op grond van de
Toeslagenwet. De Raad stelt echter vast dat bij het Wijzigingsverdrag
van 2002, dat sinds 1 augustus 2002 voorlopig wordt toegepast, artikel 5
niet op een voor de onderhavige gedingen relevante wijze is gewijzigd.
Reeds hieruit volgt dat, ook na de wijziging van het NMV bij het
Wijzigingsverdrag van 2002, de toeslag op grond van de TW kan worden geëxporteerd.
Het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 27a van het
Wijzigingsverdrag van 2002 maakt het vorenstaande niet anders. Deze
bepaling maakt deel uit van hoofdstuk 7, getiteld "Aide
Sociale". Aangezien de TW niet als sociale bijstand kan worden
aangemerkt, ziet hoofdstuk 7, en derhalve artikel 27a, naar het oordeel
van de Raad niet op de TW. Steun voor dit oordeel vindt de Raad in
voornoemde memorie van toelichting waaruit blijkt dat artikel 27a
slechts ziet op de Algemene bijstandswet (Abw), de Wet
inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze
werknemers (Ioaw) en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk
arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz).
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de hoger beroepen niet kunnen
slagen, zodat de aangevallen uitspraken dienen te worden bevestigd.
Gelet op het voorgaande ziet de Raad aanleiding appellant te veroordelen
tot betaling van de kosten die gedaagden in verband met het hoger beroep
van appellant hebben moeten maken. Deze kosten dienen te worden
vastgesteld overeenkomstig het bepaalde in het Besluit proceskosten
bestuursrecht en de daarbij behorende Bijlage. De Raad merkt de
onderhavige zaken aan als gemiddeld, zodat het gewicht van de zaken op 1
wordt gesteld. De Raad merkt voorts de gedingen tegen de gedaagden 1 en
2 aan als samenhangende zaken, nu de bestreden besluiten gelijkluidend
zijn, de rechtbank Amsterdam in deze zaken op dezelfde datum
gelijkluidende uitspraken heeft gedaan, appellant in deze zaken op
gelijke gronden in hoger beroep is gekomen, dezelfde advocaat zich voor
deze gedaagden als gemachtigde heeft gesteld en de zaken op dezelfde
datum ter zitting van de Raad zijn behandeld waarbij deze gedaagden door
dezelfde gemachtigde zijn vertegenwoordigd. Deze zaken worden derhalve
als één zaak aangemerkt, waarvoor de Raad wegens samenhang de
wegingsfactor 1 toepast. De Raad merkt om dezelfde redenen de zaken 3, 4
en 5 als samenhangend aan, met dien verstande dat de rechtbank in deze
zaken op verschillende data gelijkluidende uitspraken heeft gedaan. Ook
deze zaken worden tezamen als één zaak aangemerkt, waarvoor de Raad
wegens samenhang eveneens wegingsfactor 1 toepast.
De door appellant te vergoeden proceskosten worden aldus begroot op een
bedrag van € 161,-- voor ieder van de gedaagden 1 en 2; op een bedrag
van € 107,33 voor ieder van de gedaagden 3, 4 en 5, en op een bedrag
van € 322,-- voor gedaagde 6.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken;
Veroordeelt appellant in de proceskosten van de gedaagden 1 en 2 tot een
bedrag van € 161,-- voor ieder van hen; in de proceskosten van
gedaagden 3, 4 en 5 tot een bedrag van € 107,33 voor ieder van hen, en
in de proceskosten van gedaagde 6 tot een bedrag van € 322,--, steeds
te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat van appellant een recht van € 2.088,= wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 september
2003.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|