|
Uitspraak
01/5667
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden, nader aangevuld
bij schrijven van 28 november 2001, in hoger beroep gekomen tegen een
door de rechtbank Amsterdam op 26 september 2001 tussen partijen gegeven
uitspraak (reg.nr. AWB 01/1223 TW).
Bij uitspraak van 7 mei 2002 heeft de Raad het tegen voormelde uitspraak
ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op grond van de
overweging dat appellant het voor het instellen van hoger beroep
verschuldigde griffierecht niet heeft betaald.
De Raad heeft partijen bij schrijven van 25 juli 2002 bericht dat tegen
zijn uitspraak van 7 mei 2002 geen verzet is gedaan. Appellant heeft bij
brief van 9 augustus 2002 op dit schrijven gereageerd.
De Raad heeft partijen bij schrijven van 13 november 2002, met bijlage,
verzocht te reageren op zijn, in dit schrijven neergelegde, voornemen om
de uitspraak van 7 mei 2002 ambtshalve vervallen te verklaren. Beide
partijen hebben de Raad op dit schrijven een reactie doen toekomen.
II. MOTIVERING
In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat voor de tijdigheid van de
betaling van het griffierecht bepalend is de dag waarop het bedrag is
bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep.
De Raad overweegt dat voor hem, na onderzoek bij de afdeling Financieel
Economische Zaken (FEZ) op 13 augustus 2002 en op grond van een
rekeningafschrift van de Raad van 4 maart 2002, is komen vast te staan
dat appellant het verschuldigde griffierecht op 4 maart 2002, binnen de
gestelde termijn voor de voldoening van het griffierecht, heeft voldaan.
Naar het oordeel van de Raad is het hoger beroep van appellant bij
uitspraak van 7 mei 2002 derhalve ten onrechte niet-ontvankelijk
verklaard.
In verband hiermee heeft de Raad partijen bericht voornemens te zijn
voornoemde uitspraak ambtshalve vervallen te verklaren. Gedaagde heeft
in reactie op het voornemen van de Raad medegedeeld hiervoor geen
aanleiding te zien. Gedaagde meent dat er situaties zijn waarin het
mogelijk zou moeten zijn een duidelijke misslag in een einduitspraak te
laten herstellen, maar is van oordeel dat dit beperkt dient te worden
tot die situaties, waarin het initiatief tot correctie van één der
betrokken partijen is uitgegaan. Indien een foute uitspraak door
partijen niet wordt aangevochten, is er op dat punt geen geschil tussen
partijen en valt de kwestie dus buiten de bevoegdheid van de (bestuurs)rechter.
Voorts moet naar het oordeel van gedaagde meewegen dat er voor appellant
een eenvoudige mogelijkheid tot correctie is geweest. Nu appellant wist
dat hij het griffierecht tijdig had betaald en de uitspraak van de Raad
van 7 mei 2002 niet juist kon zijn, had appellant, zo stelt gedaagde,
van de uitspraak in verzet moeten komen. Nu appellant heeft berust in de
niet-ontvankelijkverklaring van zijn hoger beroep, ziet gedaagde niet in
op grond van welke rechtsregel dan wel rechtsbeginsel de Raad ambtshalve
aan deze uitspraak, welke in kracht van gewijsde is gegaan, zou behoren
te komen. Het voorgaande levert naar het oordeel van gedaagde geen
strijd met het fair-trialbeginsel op.
De Raad kan gedaagde niet volgen in dit oordeel. De Raad merkt vooreerst
op dat een rechtelijke beslissing tot ambtshalve vervallen verklaren
niet gebonden is aan een initiatief daartoe van één der partijen.
Voorts overweegt de Raad dat er voor het ambtshalve vervallen verklaren
van een uitspraak aanleiding kan zijn indien geen rechtsmiddel is
ingesteld omdat het voor betrokkene niet kenbaar was dat er een
(rechtelijke) fout is gemaakt. In casu was het voor appellant niet
kenbaar of het griffierecht al dan niet was bijgeschreven op de
bankrekening van de Raad.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de uitspraak van 7 mei
2002 vervallen dient te worden verklaard.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart de uitspraak van de Raad van 7 mei 2002 vervallen.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|