|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 03/5733 TW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:54 van de Algemene wet bestuursrecht in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Maastricht (reg. nr. AWB 02/1646 TW SEE) op 10 oktober 2003 tussen
partijen gegeven uitspraak.
II. MOTIVERING
In artikel 22 van de Beroepswet is bepaald dat van de indiener van het
beroepschrift een griffierecht wordt geheven.
Bij schrijven van 2 december 2003 is appellant erop gewezen dat hij een
griffierecht van € 87,- is verschuldigd, bij voorkeur te voldoen door
middel van de aangehechte acceptgirokaart.
Bij aangetekende brief van 23 december 2003 is appellant nogmaals
gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld
dat het verschuldigde bedrag binnen vier weken dient te zijn
bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel ter
griffie dient te zijn gestort. Daarbij is erop gewezen dat
overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van
het hoger beroep.
De Raad stelt vast dat het griffierecht niet is betaald.
Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden
geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het
hoger beroep uit dien hoofde kennelijk niet-ontvankelijk.
De Raad overweegt voorts ten overvloede het volgende.
In artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), is bepaald dat het beroepschrift de gronden van het
beroep dient te bevatten. Deze bepaling is ingevolge artikel 6:24,
eerste lid, van de Awb in hoger beroep van overeenkomstige toepassing.
Het ingediende beroepschrift bevat echter geen gronden.
Bij schrijven van 2 december 2003 is appellant in de gelegenheid gesteld
dit verzuim binnen vier weken te herstellen.
Bij aangetekend schrijven van 5 januari 2004 is aan appellant nogmaals
de gelegenheid geboden de beroepsgronden in te dienen. Daarbij is een
termijn van twee weken gesteld en is erop gewezen dat overschrijding van
die termijn tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep kan
leiden.
Appellant heeft deze termijnen ongebruikt laten voorbijgaan.
Nu op grond van de beschikbare gegevens niet kan worden geoordeeld dat
appellant met betrekking tot het indienen van de gronden van het beroep
niet in verzuim is geweest, is het hoger beroep ook uit dien hoofde
niet-ontvankelijk.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 14 mei 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
Tegen deze uitspraak kunnen de belanghebbende en het bestuursorgaan
binnen zes weken na de verzending van dit afschrift schriftelijk verzet
doen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid
te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
|
|