|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/1388 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. J.W. Brouwer, advocaat te Groningen, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de uitspraak van de rechtbank Groningen van 16 januari 2002, nr. AWB
01/70 TW, waarnaar hierbij zij verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 18 mei 2004, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als eiser is aangeduid en
gedaagde als verweerder ontleent de Raad de volgende, door partijen niet
bestreden, feiten en omstandigheden:
“Eiser ontvangt sinds 11 januari 1981 een uitkering ingevolge de Wet
op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van 1 februari
1987 aangevuld met een toeslag ingevolge de TW.
In een op 21 maart 2000 aan hem gezonden inlichtingenformulier heeft
eiser gemeld dat hij in 1999 gedurende 16 uur per week heeft gewerkt.
Eiser heeft aangegeven dat hij op de zaterdagen (50 keer per jaar) met
handel op de rommelmarkt te [plaats 1] staat en op de zondagen (39 keer
per jaar) op de rommelmarkt te [plaats 2]. Eiser heeft verder aangegeven
dat hij op de zaterdagen gemiddeld f. 75,00 netto verdient en op de
zondagen gemiddeld f. 100,00 netto.
In het kader van het, mede naar aanleiding van voormeld
inlichtingsformulier, door verweerder aangevangen onderzoek is eiser op
22 maart 2000 gehoord. Blijkens het proces-verbaal van dit verhoor heeft
eiser verklaard, dat hij voormelde werkzaamheden verricht sinds 1994.
Eiser heeft verder verklaard dat hij van deze werkzaamheden tot 21 maart
2000 op de hem toegezonden inlichtingenformulieren geen melding heeft
gemaakt, omdat hij meende, vanwege de beperkte omvang van de
werkzaamheden, dat dit niet hoefde.
Bij besluit van 20 juni 2000 heeft verweerder aan eiser medegedeeld, dat
de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de WAO, ondanks zijn
inkomsten uit arbeid, ongewijzigd blijft vastgesteld naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij een tweede besluit van 20 juni 2000 heeft verweerder de aan eiser
toegekende uitkering ingevolge de TW met ingang van 1 januari 1994
ingetrokken.
Verweerder heeft bij besluit van 7 juli 2000 de over de periode van 1
januari 1994 tot 1 juli 2000 onverschuldigd aan eiser betaalde uitkering
ingevolge de TW ten bedrage van f. 33.037,70 van hem teruggevorderd.
Eiser is vervolgens op 17 juli 2000 opnieuw gehoord. Blijkens het
proces-verbaal van dit verhoor heeft eiser verklaard, dat bij de
inkomsten die hij heeft genoemd in het eerste verhoor nog rekening
gehouden moet worden met de inkoopsprijzen van de goederen die hij
verkoopt. Eiser heeft verklaard, dat hij op de zaterdagen gemiddeld f.
25,00 overhield en op de zondagen gemiddeld f. 30,00. Eiser heeft verder
verklaard, dat hij sinds 1994 op de rommelmarkt [plaats 1] staat en
sinds 1999 op de rommelmarkt te [plaats 2].
Eiser heeft op 20 juli 2000 bezwaarschriften bij verweerder ingediend,
gericht tegen de beide besluiten van 20 juni 2000 en het besluit van 7
juli 2000. In bezwaar heeft eiser zijn bezwaar, gericht tegen het
besluit van 20 juni 2000 betreffende de WAO-uitkering van eiser,
ingetrokken.
Bij zijn thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiser
gedeeltelijk gegrond verklaard en nader bepaald dat de aan eiser
toegekende uitkering ingevolge de TW wordt herzien met ingang van 1
januari 1996 en de over de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 2000
onverschuldigd aan eiser betaalde uitkering ten bedrage van f. 6.148,07
van hem wordt teruggevorderd.
Verweerder heeft hiertoe besloten na kennis te hebben genomen van de
tweede verklaring van eiser en na te hebben vastgesteld, dat verweerder
heeft verzuimd rekening te houden met de zogenaamde vrijlatingsregeling
als bedoeld in artikel 7 van de TW.
Eiser kan zich hier niet mee verenigen en heeft daartoe aangevoerd, dat
verweerder bij zijn onderzoek naar de inkomsten van eiser enkel is
afgegaan op de tweede verklaring van eiser, op welke verklaring eiser
gedeeltelijk wenst terug te komen. Eiser heeft verklaard dat hij op de
goede dagen de door hem genoemde bedragen heeft verdiend, maar ook
dikwijls geen verdiensten had of zelfs verlies heeft gedraaid.
Eiser heeft verklaard dat verweerder bij de herziening en terugvordering
van de aan eiser toegekende uitkering ingevolge de TW dan ook van een
onjuist bedrag aan inkomsten is uitgegaan.”
Onder verwijzing naar de desbetreffende bepalingen van de Toeslagenwet
(TW) heeft de rechtbank vervolgens geoordeeld dat gedaagde gehouden is
tot het terugvorderen van ten onrechte betaalde uitkering, tenzij sprake
is van dringende redenen op grond waarvan gedaagde de bevoegdheid heeft
om te besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. In
dat verband heeft de rechtbank overwogen dat appellant vanaf 1994 in een
zodanige omvang en regelmaat werkzaamheden heeft verricht en daaruit
inkomsten heeft genoten, dat het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn
geweest dat dit van invloed kon zijn op de hem toegekende toeslag.
Volgens de rechtbank heeft gedaagde zijn thans bestreden besluit kunnen
baseren op de op 17 juli 2000 door appellant afgelegde verklaring.
Daarbij merkt de rechtbank op dat, blijkens het proces-verbaal van dit
verhoor, appellant deze verklaring heeft afgelegd ter verduidelijking
van de eerste door hem afgelegde verklaring. Dat zijn verklaring van 17
juli 2000, zoals door appellant in bezwaar en beroep is aangevoerd, geen
juist beeld schetst van zijn inkomsten moet naar het oordeel van de
rechtbank voor risico van appellant blijven, nu hij geen administratie
betreffende zijn inkomsten heeft kunnen overleggen.
De rechtbank overweegt verder dat niet is gebleken dat de wijze waarop
gedaagde de terugvordering heeft vormgegeven in rechte geen stand kan
houden. Volgens de rechtbank is gesteld noch gebleken dat er sprake is
van dringende redenen die gedaagde ertoe hadden moeten brengen van
terugvordering af te zien.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of
de rechtbank, in het voetspoor van gedaagde, met recht heeft geoordeeld
dat het bestreden besluit, waarbij gedaagde de aan appellant toegekende
toeslag met ingang van 1 januari 1996 heeft herzien en de ten onrechte
betaalde toeslag heeft teruggevorderd, in rechte stand kan houden.
Met overneming van de gronden in de aangevallen uitspraak beantwoordt de
Raad deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend. Hetgeen namens
appellant in hoger beroep is aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander
oordeel kunnen brengen.
Namens appellant is in het bijzonder aangevoerd dat de rechtbank ten
onrechte heeft geoordeeld dat er geen dringende reden is om niet tot
terugvordering over te gaan, gezien het feit dat appellant volledig
arbeidsongeschikt is en een uitkering heeft op minimumniveau. Appellant
zou in grote financiële problemen komen indien hij het bedrag dat wordt
teruggevorderd alsnog dient te betalen. Dienaangaande merkt de Raad op
dat door of namens appellant de gestelde problemen op geen enkele wijze
met financiële gegevens zijn onderbouwd. Daarenboven merkt de Raad op
dat het aldus gestelde in hoofdzaak een invorderingsprobleem betreft.
Inzake de invordering geldt dat appellant de mogelijkheid heeft (gehad)
met gedaagde een regeling te treffen. Bij zo’n regeling heeft gedaagde
de beslagvrije voet in aanmerking te nemen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr H.J. Simon, in tegenwoordigheid van J.J.B. van der
Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2004.
(get.) H.J. Simon.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|