|
Uitspraak
03/3167
TW
U I T S P R A A K
met toepassing van artikel 21 van de Beroepswet in samenhang met artikel
8:55 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:
[opposant], wonende te [woonplaats], opposant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, geopposeerde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Opposant heeft hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank
Amsterdam op 27 mei 2003 tussen partijen gegeven uitspraak.
Bij uitspraak van 9 januari 2004 heeft de Raad het hoger beroep
niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig is
betaald.
Tegen deze uitspraak heeft opposant bij schrijven van 29 januari 2004
verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 28 mei 2004. Partijen zijn niet verschenen.
II. MOTIVERING
Opposant heeft in zijn verzetschrift aangevoerd dat hij het griffierecht
op 12 december 2003 heeft overgemaakt. Als bewijsstuk heeft hij een kopie
van een rekeningafschrift van de Banque Populaire te Al Hoceima
meegezonden.
Het griffierecht had echter betaald moeten zijn binnen acht weken na de
brief van de griffier van de Raad van 9 oktober 2003, dus uiterlijk op 4
december 2003.
De Raad stelt vast dat opposant in zijn verzetschrift niets heeft
aangevoerd dat kan dienen als verontschuldiging voor de te late
betaling.
Het verzet moet dan ook ongegrond worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. W.M. Levelt-Overmars als leden, in tegenwoordigheid van mr.
N.E.
Nijdam als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2004.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.
|
|