|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/2568 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel
de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de Nieuwe
Algemene Bedrijfsvereniging.
Namens appellant heeft mr. E.M. van den Brom, advocaat te Amsterdam, op
daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep
ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 maart
2002 (reg.nr. AWB 99/10141 TW), waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Per fax van 22 juli 2004 heeft de gemachtigde van appellant nog een stuk
in het geding gebracht.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 23 juli 2004, waar
namens appellant is verschenen mr. Van den Brom, voornoemd, en waar
gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. S.J.M.A. Clerx,
werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant, geboren in 1963, is in het verleden in Nederland werkzaam
geweest als tomatenplukker via een uitzendbureau. Nadat hij
arbeidsongeschikt was geworden, is hij teruggekeerd naar Marokko. In
1993 heeft hij bij gedaagde een aanvraag om
arbeidsongeschiktheidsuitkering ingediend, omdat hij sinds april 1991
arbeidsongeschikt zou zijn. Bij besluit van 15 september 1995 heeft
gedaagde geweigerd aan appellant uitkeringen ingevolge de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toe te kennen. De rechtbank
Amsterdam heeft dit besluit bij uitspraak van 11 november 1996
vernietigd. Bij besluit van 17 februari 1997 heeft gedaagde aan
appellant met ingang van 7 mei 1992 uitkeringen ingevolge de AAW en de
WAO toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%. Op dat moment was gedaagde nog niet in staat het juiste
WAO-dagloon van appellant vast te stellen. Op 28 november 1997 heeft
gedaagde een besluit betreffende het dagloon aan appellant toegezonden.
Bij brief van 17 december 1997 heeft de gemachtigde van appellant
bezwaar gemaakt tegen dit dagloonbesluit. Daarbij heeft ze tevens
gevraagd, of appellant een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW)
ontving. Bij schrijven van 8 januari 1998 heeft mr. Van den Brom
nogmaals bij gedaagde geïnformeerd, of appellant al een toeslag
toegekend had gekregen. Op 31 juli 1998 heeft gedaagde een nieuw besluit
omtrent het dagloon aan appellant toegezonden. Bij brief van 10 augustus
1998 heeft mr. Van den Brom gedaagde - onder meer - verzocht haar te
bevestigen dat ook een aanvraag tot verlening van een toeslag in het
kader van de TW wordt beoordeeld. Naar aanleiding hiervan heeft gedaagde
appellant op 7 oktober 1998 een aanvraagformulier Toeslagenwet
toegezonden, hetwelk door appellant ingevuld is geretourneerd op 16
oktober 1998.
Bij besluit van 19 april 1999 heeft gedaagde ingaande 1 juli 1997 aan
appellant een toeslag ingevolge de TW toegekend. Door zowel de
echtgenote als de gemachtigde van appellant is op respectievelijk 30
april 1999 en 12 mei 1999 bezwaar gemaakt tegen de ingangsdatum van de
toegekende toeslag. Bij besluit op bezwaar van 14 september 1999
(hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde de bezwaren tegen het
besluit van 19 april 1999 ongegrond verklaard, op de grond dat in
artikel 11, eerste lid, van de TW is bepaald dat op aanvraag wordt
vastgesteld of recht op toeslag bestaat. Gedaagde heeft voorts geen
bijzonder geval, als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW
aanwezig geacht, op grond waarvan het mogelijk zou zijn de toeslag toe
te kennen over perioden gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag
waarop de aanvraag om toeslag is ingediend. Daarbij heeft gedaagde de
brief van appellants gemachtigde van 10 augustus 1998 aangemerkt als
aanvraag.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het bestreden besluit in
stand gelaten, overwegende dat niet gebleken is dat de door appellant
destijds ingediende aanvraag om toekenning van een
arbeidsongeschiktheidsuitkering tevens moet worden aangemerkt als een
aanvraag om een toeslag in het kader van de TW en dat namens appellant
eerst bij brief van 10 augustus 1998 expliciet is verzocht om appellant
in aanmerking te brengen voor een toeslag. De rechtbank is voorts tot
het oordeel gekomen dat gedaagde terecht geen bijzonder geval, als
bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW aanwezig heeft geacht.
In hoger beroep is namens appellant aangevoerd dat appellant ten tijde
van zijn aanvraag om een WAO-uitkering, gelet op de onzekerheid omtrent
de hoogte van die uitkering, niet kon overzien of hij tevens recht kon
doen gelden op een toeslag ingevolge de TW. Daarbij is erop gewezen dat
gedaagde het WAO-dagloon van appellant tot driemaal toe heeft
gecorrigeerd. Bij de besluitvorming door gedaagde is vertraging
opgetreden. Eerst nadat het WAO-dagloon definitief was vastgesteld, was
appellant duidelijk dat hij door toekenning van de WAO-uitkering onder
het bestaansminimum kwam te verkeren en een toeslag krachtens de TW geïndiceerd
was. Ten slotte heeft appellant betoogd dat hij reeds in een brief van
17 december 1997 de vraag heeft opgeworpen of hij wel een toeslag had.
Gedaagde had redelijkerwijs moeten begrijpen dat appellant, bij
negatieve beantwoording van die vraag, meende voor een toeslag in
aanmerking te komen.
De Raad overweegt als volgt.
Gelet op de gedingstukken en hetgeen door partijen naar voren is
gebracht, gaat de Raad er vanuit dat appellant bij zijn aanvraag om
arbeidsongeschiktheidsuitkering in 1993 niet tevens een aanvraag om
toeslag ingevolge de TW heeft ingediend, alsmede dat hem door gedaagde
destijds informatie is verstrekt over zijn eventuele recht op toeslag,
zodat hij redelijkerwijs destijds reeds een aanvraag had kunnen
indienen.
De Raad is echter van oordeel dat, gezien de voorgeschiedenis en de
omstandigheden van het onderhavige geval, gedaagde in de brieven van 17
december 1997 en 8 januari 1998 van de gemachtigde van appellant -
waarop van de zijde van gedaagde, voor wat betreft de aanspraak op
toeslag, in het geheel niet gereageerd is - aanleiding had behoren te
vinden tevens een verzoek om toeslag ingevolge de TW te lezen, deze als
een aanvraag in behandeling te nemen en aan gemachtigde van appellant
een adequate reactie had dienen te zenden.
Het bestreden besluit is derhalve niet met de vereiste zorgvuldigheid
tot stand gekomen en dient, evenals de aangevallen uitspraak, waarbij
dat besluit in stand is gelaten, wegens strijd met artikel 3:4, eerste
lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden vernietigd.
Gedaagde zal met inachtneming van het in deze uitspraak overwogene een
nieuw besluit op bezwaar dienen te nemen.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde op grond van artikel 8:75 van
de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 644,- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en € 644,- voor verleende rechtsbijstand in
hoger beroep, tezamen € 1.288,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden
besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het in deze uitspraak overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant ad € 1.288,-, te
betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 129,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van mr. M.B.M.
Vermeulen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.B.M. Vermeulen.
|
|