|
Uitspraak
02/3316 TW, 03/2598 TW en 03/2599 TW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit 9 maart 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant tegen
het besluit van 25 januari 2001 ongegrond verklaard.
De rechtbank Utrecht heeft bij uitspraak van 22 mei 2002, nr. SBR
01/593, het beroep van appellant tegen dit besluit gegrond verklaard en
het besluit vernietigd.
Appellant is op bij aanvullend beroepschrift - annex bijlagen - aangegeven
gronden van deze uitspraak in hoger beroep gekomen.
Gedaagde heeft een verweerschrift - annex nadere stukken - ingediend.
Ingezonden is onder meer een besluit van 13 juni 2002, waarbij het
bezwaar van appellant tegen gedaagdes besluit van 25 januari 2001
(alsnog) gegrond is verklaard.
Bij schrijven gedateerd 17 september 2002 heeft mr. J.J. Degenaar,
advocaat te Utrecht, zich als gemachtigde van appellant gesteld.
Partijen hebben nadere stukken ingezonden, waaronder een besluit van
gedaagde van 9 mei 2003, waarbij het besluit op bezwaar van 13 juni 2002
is aangevuld.
De Raad heeft aan partijen laten weten ook een oordeel te zullen geven
over de besluiten van 13 juni 2002 en 9 mei 2003.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 13 augustus 2004,
waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. M.E.
Falkmann, kantoorgenoot van mr. Degenaar, terwijl voor gedaagde is
verschenen mr. F. Landwaart, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 25 januari 2001 heeft gedaagde appellants toeslag op
grond van de Toeslagenwet (TW) met ingang van 21 september 1994 beëindigd. Aan dit besluit heeft gedaagde ten
grondslag gelegd dat met ingang van genoemde datum appellants recht op
een arbeidsongeschiktheidsuitkering is geëindigd.
In bezwaar is door appellant aangevoerd dat hij, na de beëindiging van
zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering, tot 17 maart 1997 een uitkering op
grond van de Werkloosheidswet (WW) heeft ontvangen. Ingaande 17 maart
1997 ontvangt appellant (wederom) een arbeidsongeschiktheidsuitkering
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Bij besluit van 9 maart 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen het
besluit van 25 januari 2001 ongegrond verklaard. Aan dit besluit is ten
gronde gelegd dat op de datum in geding, 21 september 1994, appellant
geen recht had op een loondervingsuitkering op grond waarvan een
toeslag kan worden verleend. Opgemerkt wordt nog dat een eventueel recht
op toeslag tijdens de (aansluitende) uitkering op grond van de WW,
buiten het kader van het onderhavige besluit valt en derhalve niet
relevant is.
In verweer in eerste aanleg is door gedaagde, aan de hand van stukken,
betoogd dat aan appellant tot 17 maart 1997, in aanvulling op de
uitkering ingevolge de WW dan wel de Ziektewet (ZW), wel degelijk een
toeslag op grond van de TW is toegekend. Wat betreft de periode vanaf 17
maart 1997, de datum met ingang waarvan aan hem een arbeidsongeschikt-heidsuitkering is toegekend, wordt opgemerkt dat niet is gebleken dat
appellant vóór 12 juli 2000 een schriftelijke aanvraag om een toeslag
heeft ingediend.
Ter zitting van de rechtbank heeft appellant verklaard dat hij, aan de
hand van zijn giroafschriften, niet kan vaststellen dat hij in de
periode tot maart 1997 daadwerkelijk een toeslag heeft ontvangen.
De rechtbank heeft vastgesteld dat appellant tot 17 maart 1997 zonder
onderbreking een toeslag heeft ontvangen als aanvulling op de diverse
hem toekomende loondervingsuitkeringen. Gedaagde wordt niet gevolgd in
zijn opvatting dat voor iedere uitkering een aparte aanvraag in het
kader van de TW nodig is. Noch de TW noch gedaagdes formulier behorend
bij artikel 12 van de TW, en de toelichting daarop, bieden voor dit
standpunt steun. Gelet hierop berust het besluit van 9 maart 2001 niet
op een deugdelijke motivering. Het beroep wordt gegrond verklaard en het
besluit wordt vernietigd. Gedaagde wordt opgedragen een nieuw besluit te
nemen met betrekking tot appellants recht op toeslag per 17 maart 1997.
In hoger beroep is door appellant aangevoerd dat de rechtbank ten
onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat vanaf september 1994 de
toeslag feitelijk niet is uitbetaald. Verder wordt wettelijke rente
gevorderd, belastingschade en vergoeding van f 700,- aan juridische
kosten bestaande uit een tweetal bezoeken aan een advocaat.
Bij besluit van 13 juni 2002 heeft gedaagde appellants bezwaar tegen het
besluit van 25 januari 2001 (alsnog) gegrond verklaard. Aangegeven wordt
dat op en na 21 september 1994 het recht op toeslag blijft bestaan. In
aanvulling hierop heeft gedaagde op 9 mei 2003 aan appellant laten weten
dat de hoogte van zijn recht op toeslag per 17 maart 1997 is vastgesteld
op € 7,- per dag.
Aan appellant is door gedaagde een nabetaling verricht over de periode
vanaf 17 maart 1997. Tevens is aan appellant de wettelijke rente over
het nabetaalde bedrag vergoed. Appellant heeft tegen genoemde besluiten
geen grieven aangevoerd. Wel is door hem verzocht om een specificatie
van de nabetaling.
De Raad zal eerst ingaan op de omvang van het geding in hoger beroep.
De Raad stelt voorop dat de in hoger beroep door appellant naar voren
gebrachte grieven uitsluitend zien op de (niet-)uitbetaling van de
toeslag in de periode tot 17 maart 1997. Het besluit van 13 juni 2002,
als aangevuld bij besluit van 9 mei 2003, heeft betrekking op de toekenning van toeslag over de
periode vanaf 17 maart 1997. De inhoud van deze besluiten wordt door
appellant, zoals ter zitting van de Raad is bevestigd, niet bestreden.
Nu deze besluiten geheel aan het beroep van appellant tegemoet komen,
kunnen deze niet worden aangemerkt als besluiten als bedoeld in artikel
6:18 juncto 6:19, eerste lid, juncto 6:24 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb). Uit het voorgaande volgt tevens dat de Raad ten
onrechte aan partijen heeft medegedeeld dat hij genoemde besluiten in de
onderhavige procedure zal betrekken. Dit staat aan de hiervoor verwoorde
conclusie evenwel niet in de weg.
Ten gronde heeft appellant in hoger beroep betoogd dat de rechtbank zich
ten onrechte niet heeft uitgelaten over de vraag of vanaf september 1994
de toeslag op appellants loondervingsuitkering daadwerkelijk is
uitbetaald. Dienaangaande merkt de Raad op dat het in eerste aanleg
bestreden besluit, en het daaraan voorafgaande primaire besluit, zien op
de intrekking van appellants recht op toeslag met ingang van 21
september 1994. De daadwerkelijke uitbetaling van de toeslag valt buiten
de reikwijdte van deze besluiten en maakt uit dien hoofde geen onderdeel
uit van het geschil tussen partijen. De rechtbank heeft derhalve met
recht over de daadwerkelijke uitbetaling van de toeslag geen uitspraak
gedaan. De Raad concludeert dat de grieven van appellant niet tot het
door hem gewenste resultaat kunnen leiden, zodat het beroep ongegrond
moet worden verklaard.
Uit het voorgaande volgt tevens dat het verzoek om schadevergoeding niet
voor toewijzing in aanmerking komt. De door appellant gestelde rente- en
belastingschade vloeien voort uit de door hem gestelde niet-uitbetaling
van de toeslag in de periode tot 17 maart 1997, welke uitbetaling, zo
bleek hiervoor, geen onderwerp vormt van het in onderhavige gedingen aan
de orde zijnde geschil.
De Raad merkt daarbij op dat ter zitting door gedaagde is toegezegd dat
aan appellant een specificatie terzake van de nabetaling van de toeslag
annex rente over de periode vanaf 17 maart 1997 zal worden verstrekt.
Voor vergoeding van de door appellant gestelde proceskosten is reeds
geen grond nu de gestelde kosten vallen buiten het bepaalde in het
Besluit proceskosten bestuursrecht. Ook anderszins acht de Raad geen
termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.
Uit het voorafgaande vloeit voort volgt dat als volgt moet worden
beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voorzover aangevochten;
Wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. H.J.
Simon en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van C. Molle
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) C. Molle.
|
|