|
Uitspraak
02/4489
TW en 02/4490 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift
aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de
rechtbank Amsterdam van 19 juli 2002, nummers AWB 01/4467 WAO en 01/4005
TW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Appellantes gemachtigde heeft nog nadere stukken aan de Raad
toegezonden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 augustus 2004,
waar appellante - zoals tevoren was bericht - niet is verschenen en waar namens
gedaagde is verschenen mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante heeft op 3 december 1981 haar werkzaamheden als inpakster in
verband met psychische klachten gestaakt. Nadat aan haar een
arbeidsongeschiktheidsuitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid
van 80 tot 100% was toegekend, heeft zij zich in 1985 definitief in
Turkije gevestigd. In de loop der jaren hebben zich bij appellante ook
rug- en nekklachten ontwikkeld.
Bij een tweetal besluiten van 13 augustus 1998 is appellantes uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met
ingang van 1 maart 1999 ingetrokken en is de haar eerder toegekende
toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) met ingang van diezelfde datum beëindigd.
Nadat een eerdere beslissing op bezwaar door de rechtbank wegens het
ontbreken van een deugdelijke motivering was vernietigd, heeft gedaagde
bij de bestreden besluiten van 11 juli 2001 en 5 oktober 2001 de
besluiten van 13 augustus 1998 wederom gehandhaafd.
De rechtbank heeft appellantes beroep tegen de bestreden besluiten bij
de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank in de aangevallen
uitspraak heeft overwogen en maakt die overwegingen tot de zijne. Naar
aanleiding van hetgeen in hoger beroep namens appellante naar voren is
gebracht, voegt hij daar nog het volgende aan toe.
Op verzoek van gedaagdes verzekeringsarts is appellante in 1997 in
Turkije medisch onderzocht. Rapport is uitgebracht door de neuroloog dr.
S. Demirici, de psychiater dr. N. Isiten en de algemeen arts O.A. Sarp. Laatstgenoemde heeft, mede
op basis van de rapportage van de twee anderen op een formulier TH214 de
belastbaarheid van appellante weergegeven.
De onderzoeksgegevens van de artsen Demirici, Isiten en Sarp hebben de
basis gevormd voor de beoordeling door gedaagdes
(bezwaar)verzekeringsartsen. Bij de vaststelling van het voor appellante
geldende belastbaarheidspatroon is naar het oordeel van de Raad
voldoende toegelicht om welke reden is afgeweken van de door de arts
Sarp aangegeven beperkingen. De belastbaarheid zoals door laatstgenoemde
aangegeven op het formulier TH214, vindt geen basis in de door hem en de
artsen Demirici en Isiten bij appellante geconstateerde afwijkingen. De
Raad voegt daar nog aan toe dat het door gedaagde gehanteerde systeem
van vaststelling van het belastbaarheidspatroon veel verfijnder
mogelijkheden biedt de belastbaarheid vast te leggen dan het formulier
TH214.
De namens appellante overgelegde medische stukken werpen naar het
oordeel van de Raad geen ander licht op de zaak, reeds omdat deze
stukken dateren uit 2002 en 2004 en daaruit geenszins blijkt dat deze
betrekking hebben op appellantes gezondheidstoestand op de datum in
geding, 1 maart 1999.
De Raad vermag voorts niet in te zien dat - zoals appellantes
gemachtigde heeft gesteld - de functies hulplederbewerker en
samensteller voor appellante niet geschikt kunnen worden geacht, nu
gedaagde zelf tot het oordeel is gekomen dat
na aanscherping van het belastbaarheidspatroon in verband met de
inmiddels bij appellante vastgestelde coxarthrose de functie van
monteuse/assembleerster diende te vervallen. Gedaagde(s
bezwaararbeidsdeskundige) heeft de functie van monteuse/assembleerster
ongeschikt geacht in verband met het zittende karakter van deze functie.
De voor deze functie geldende belasting is ‘zitten gedurende de gehele
werkdag 2 uur aaneengesloten’. Voorts is vermeld ‘“zittende”
functie’. De functies hulplederbewerker en samensteller kennen een
belasting van ‘zitten gedurende de gehele werkdag 1 uur
aaneengesloten’, welke belasting valt binnen de voor appellante
geldende belastbaarheid. Bovendien is bij deze functies respectievelijk
vermeld ‘werk kan eventueel staand uitgevoerd worden’ en ‘goed
verstelbare stoel’. De Raad ziet dan ook geen aanleiding deze functies
voor appellante ongeschikt te achten.
Ten slotte kan de Raad appellantes gemachtigde niet volgen in zijn
stelling dat de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige
geen overleg hebben gevoerd over de voor de functies geldende
markeringen. Uit de gedingstukken blijkt dat dergelijk overleg wel heeft
plaatsgehad.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C. Molle als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) C. Molle.
|
|