|
Uitspraak
02/4262 TW en 02/4263 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant is mr. L.E.A. Gelderman, advocaat te Apeldoorn, op bij
aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van
de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 3 juli 2002, nr. 01/1258 TW en
01/1259 TW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 september 2004,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Gelderman,
en waar namens gedaagde, na voorafgaand bericht, niemand is verschenen.
II. MOTIVERING
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad, voor zover van belang, uit van de
volgende feiten en omstandigheden.
Appellant ontvangt sedert 1 oktober 1976 een uitkering ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%), die ingaande 1 januari 1998 is
vervangen door een uitkering ingevolge de Wet
arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Vanaf 12
februari 1990 heeft appellant, die aangemerkt werd als alleenstaande,
een aanvulling ontvangen op zijn uitkering (ook wel "kopje"
genoemd), die vanaf 9 juli 1998 werd vervangen door een toeslag
ingevolge de Toeslagenwet (TW) voor samenwonenden, omdat hij sedert die
datum samenwoonde met [betrokkene].
Nadat uit onderzoek was gebleken dat [betrokkene] (reeds) in de periode
van 20 maart tot en met 30 juli 1997 alsmede in de periode van 15
december 1997 tot en met 19 augustus 1998 ingeschreven stond op
hetzelfde adres als appellant, bij besluit van 7 maart 2000 de
aanvulling op de Wajong-uitkering (het “kopje”) beëindigd over de
periode van 20 maart tot 30 juli 1997 en over de periode van 15 december
1997 tot 9 juli 1998. Bij besluit van eveneens 7 maart 2000 heeft
gedaagde vastgesteld dat appellant met ingang van 20 augustus 1998 geen
recht meer heeft op een toeslag ingevolge de TW.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 13 maart 2000 de door gedaagde
onverschuldigd betaalde toeslag en “kopje”, zijnde f 6.287,50, van
appellant teruggevorderd.
Op 20 april 2000 is namens appellant bezwaar gemaakt tegen het
terugvorderingsbesluit van 13 maart 2000, en in het aanvullend
bezwaarschrift van 1 september 2000 is tevens bezwaar gemaakt tegen de
(moeder)besluiten van 7 maart 2000.
Bij besluit van 15 augustus 2001, hierna: besluit 1, heeft gedaagde het
bezwaar tegen de besluiten van 7 maart 2000 niet-ontvankelijk verklaard.
Gedaagde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat het bezwaar
niet tijdig is ingediend en dat de overschrijding van de bezwaartermijn
niet verschoonbaar is.
Bij een tweede besluit van 15 augustus 2001, hierna: besluit 2, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het terugvorderingsbesluit ongegrond
verklaard.
In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank voldoende aannemelijk
geacht dat de besluiten van 7 maart 2000 door gedaagde aan het hem
bekende (en correcte) adres van appellant zijn verzonden, zodat naar het
oordeel van de rechtbank vanaf die datum de termijn van bezwaar een
aanvang heeft genomen. Voorts is de rechtbank op de in de aangevallen
uitspraak geformuleerde overwegingen tot het oordeel gekomen dat van een
verschoonbare termijnoverschrijding geen sprake is. Ten aanzien van de
terugvordering heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde met recht tot
terugvordering is overgegaan
Ten aanzien van het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar tegen de
besluiten van 7 maart 2000 is namens appellant in hoger beroep naar
voren gebracht dat appellant eerst op 4 augustus 2000 kennis heeft
kunnen nemen van de primaire besluiten en dat, gegeven het vervolgens
ingediende bezwaarschrift van 1 september 2000, geen sprake is van een
te laat gemaakt bezwaar.
De Raad overweegt het volgende.
Ten aanzien van het bestreden besluit 1 stelt de Raad voorop dat hij
ervan uitgaat - tussen partijen is dit overigens ook niet in geschil -
dat de besluiten van 7 maart 2000, hoewel niet aangetekend verzonden,
diezelfde dag en op de voorgeschreven wijze zijn bekend gemaakt, zodat
ingevolge het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), de bezwaartermijn van zes weken, als bedoeld in
artikel 6:7 van de Awb, is gaan lopen op 8 maart 2000.
Ingevolge genoemde bepalingen wordt de aanvang van de termijn voor het
indienen van een bezwaarschrift in geval van bekendmaking door
toezending immers bepaald door de datum van toezending van het besluit
en niet, zoals appellant kennelijk veronderstelt, door de datum van
ontvangst van dat besluit.
Indien echter, zoals hier aan de orde, een betrokkene op niet
ongeloofwaardige wijze stelt dat hij het besluit niet heeft ontvangen en
niet kan worden aangetoond dat die betrokkene dat besluit wel heeft
ontvangen omdat het - zoals in het onderhavige geval - niet aangetekend
of met bericht van ontvangst is verzonden, kan de betrokkene bezwaarlijk
worden tegengeworpen dat hij niet binnen de gestelde termijn bezwaar
heeft gemaakt.
Ingevolge artikel 6:11 van de Awb blijft dan ook ten aanzien van een na
afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift
niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien
redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is
geweest. Van dat laatste is evenwel slechts sprake indien de betrokkene
zo spoedig mogelijk nadat hij alsnog met het betreffende besluit bekend
is geworden, daartegen een bezwaarschrift indient.
Aangezien appellants gemachtigde eerst op 1 september 2000 bezwaar heeft
gemaakt tegen de besluiten van 7 maart 2000, hoewel hij daarvan op 4
augustus 2000 kennis had genomen, is het bezwaar niet zo spoedig
mogelijk ingediend en kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat
appellant niet in verzuim is geweest.
Voor zover appellant tegen het bestreden besluit 2, waarbij het
terugvorderingsbesluit is gehandhaafd, heeft aangevoerd dat dat niet in
stand kan blijven omdat het berust op onjuiste besluiten betreffende
zijn aanspraken, treft zijn grief geen doel, gelet op hetgeen de Raad
hierboven met betrekking tot het bestreden besluit 1 heeft overwogen.
Blijkens het verhandelde ter zitting van de Raad heeft appellant geen
zelfstandige grieven tegen het besluit tot terugvordering.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat het hoger beroep van
appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het
bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 oktober
2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|