|
Uitspraak
02/4230
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. R.P.P. Caubo, advocaat te Almere, op daartoe
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 2 juli 2002, nr. AWB
01-1242 WAZ H V87 G14 K1, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 17
september 2004, waar appellant zich - met voorafgaand bericht - niet heeft
laten vertegenwoordigen, en waar namens gedaagde is verschenen mr. P.
Nicolai, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 18 april 2001 is aan appellant meegedeeld dat met ingang
van 29 januari 1998 zijn toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) wordt beλindigd.
Gedaagde heeft bij besluit van 19 april 2001 de over de periode van 29
januari 2001 (lees: 29 januari 1998) tot en met 28 februari 2001
onverschuldigd aan appellant betaalde toeslag ingevolge de TW ten
bedrage van f 26.926,47 van hem teruggevorderd.
Bij besluit van 27 juli 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde appellants bezwaren ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat appellant ervan mocht
uitgaan dat gedaagde de toeslag die aan hem in het kader van de TW was
betaald over de periode 29 januari 1998 tot april 1999 zou verrekenen
met de uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ) die aan appellant in april 1999 is nabetaald.
Gedaagde heeft dat echter nagelaten. Gedaagde is na april 1999 gewoon
doorgegaan met het betalen van toeslag ingevolge de TW hetgeen niet
slechts onzorgvuldig is, doch tevens tot gevolg heeft gehad dat bij
appellant nimmer het idee is ontstaan dat hij mogelijkerwijze geen recht
meer zou hebben op toeslag krachtens de TW. Onder deze omstandigheden is
het onaanvaardbaar om tot intrekking en terugvordering van de toeslag
over te gaan.
Gedaagde heeft zich ter zitting van de Raad op het standpunt gesteld dat
de omvang van het geding beperkt is tot de terugvordering. Volgens
gedaagde is er in casu geen sprake van een dringende reden om af te zien
van terugvordering van de ten onrechte verstrekte uitkering krachtens de
TW.
De Raad overweegt als volgt.
De Raad stelt vast dat appellant reeds in zijn bezwaarschrift van 1 mei
2001 ook de intrekkingsbeslissing heeft bestreden zodat hij gedaagde
niet kan volgen in zijn stelling dat de omvang van het geding beperkt is
tot de terugvordering. De Raad voegt daaraan toe dat gedaagde in de
beslissing op bezwaar ook op de herziening is ingegaan.
De Raad stelt voorts vast dat bij besluit van 9 april 1999 aan appellant
is meegedeeld dat zijn WAZ-uitkering, welke werd berekend naar een mate
van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, met ingang van 29 januari 1998
wordt herzien en berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80
tot 100%. Gelet hierop is de Raad van oordeel dat het appellant
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat deze verhoging met terugwerkende
kracht gevolgen zou hebben voor zijn toeslag op grond van de TW, waarvan
de toekenning immers onder meer afhankelijk is van het (gezins)inkomen
van appellant. Gedaagde heeft conform zijn beleid, zoals neergelegd in
de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking uitkeringen
(Stcrt. 2000, 89) de toeslag met ingang van 29 januari 1998 ingetrokken.
De enkele omstandigheid dat gedaagde heeft nagelaten de aan appellant
betaalde toeslag met diens WAZ-uitkering te verrekenen, kan er naar het
oordeel van de Raad niet toe leiden dat gedaagde had behoren af te zien
van deze intrekking.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de onverschuldigd
betaalde toeslag teruggevorderd. Op grond van artikel 20, vierde lid,
van de TW kan gedaagde, indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn,
besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens
vaste jurisprudentie kunnen dringende redenen in de zin van deze
bepaling slechts gelegen zijn in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen
die een terugvordering voor een verzekerde heeft. Van dergelijke
gevolgen is de Raad in casu niet gebleken.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen,
zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan het bepaalde
in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding
van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. M.M. van der Kade als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.J.B. van
der Putten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober
2004.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|