|
Uitspraak
02/1304
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
te Rotterdam, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Thans oefent gedaagde de taken en
bevoegdheden uit die tot die datum werden uitgeoefend door het Landelijk
instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder
gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8
januari 2002, reg.nr. TW 01/1426.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 5 oktober 2004, waar appellante
en gedaagde - zoals schriftelijk aangekondigd - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Appellante ontving naast haar uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een toeslag ingevolge de
Toeslagenwet (TW).
Naar aanleiding van de bevindingen in een op 14 juni 2000 gedateerd
rapport van de opsporingsdienst Regio West van GAK Nederland BV heeft
gedaagde bij een tweetal besluiten van 28 november 2000 de toeslag van
appellante over de periode van 1 januari 1997 tot 1 juni 1999
ingetrokken en de over die periode aan haar onverschuldigd betaalde
toeslag tot een bedrag van f 21.851,51 van haar teruggevorderd.
Bij besluit van 18 mei 2001 heeft gedaagde het bezwaar tegen de
besluiten van 28 november 2000 ongegrond verklaard. Uit voornoemd
rapport is volgens gedaagde genoegzaam naar voren gekomen dat appellante
samen met [partner] (hierna: [partner]) tot 1 juni 1999 een gezamenlijke
huishouding voerde en dat hun gezamenlijke inkomsten het wettelijk
minimumloon overschreden, zodat geen recht op een toeslag bestond.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 18 mei 2001 ongegrond verklaard
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
Vaststaat dat appellante en [partner] ten tijde in dit geding van belang
gehuwd waren. Derhalve heeft gedaagde, evenals de rechtbank, door
toetsing aan het criterium gezamenlijke huishouding een onjuiste
wettelijke maatstaf aangelegd. Gedaagde had moeten beoordelen of
appellante ten tijde hier van belang duurzaam gescheiden leefde van
[partner] en mitsdien als ongehuwde in de zin van artikel 1, derde lid
(tot 1 januari 1998: tweede lid), onder b, van de TW diende te worden
aangemerkt.
Om deze reden komt het besluit van 18 mei 2001, alsmede de aangevallen
uitspraak, voor vernietiging in aanmerking.
Vervolgens zal de Raad beoordelen of er aanleiding is de rechtsgevolgen
van het besluit van 18 mei 2001 in stand te laten.
Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is van duurzaam gescheiden
levende echtgenoten eerst sprake indien het een door beide betrokkenen,
of één van hen, gewilde verbreking van de echtelijke samenwoning
betreft, waardoor ieder van hen afzonderlijk zijn eigen leven leidt als
ware hij niet met de ander gehuwd en deze toestand door ten minste één
van hen als bestendig is bedoeld.
Uit een door [partner] op 3 februari 2000 tegenover een
opsporingsfunctionaris van GAK Nederland BV afgelegde en ondertekende
verklaring blijkt dat hij tot juni 1999 met appellante en hun twee
dochters heeft samengewoond, eerst op het adres [adres 2] en daarna in
een koopwoning op het adres [adres 1] te [woonplaats]. In hetgeen
appellante hier tegenover stelt ziet de Raad geen aanleiding de
juistheid van deze verklaring in twijfel te trekken.
Hetgeen [partner] heeft verklaard wordt onder meer bevestigd door de
buren van zowel het adres [adres 1] als het adres [adres 2].
De Raad leidt hieruit af dat de feitelijke situatie ten tijde hier van
belang zodanig was, dat van een verbreking van de echtelijke samenleving
van appellante en [partner] geen sprake was. Hetgeen appellante op dit
punt nog heeft aangevoerd brengt de Raad niet tot een ander oordeel.
Uit voornoemd rapport blijkt verder dat [partner] in de in geding zijnde
periode inkomsten uit werkzaamheden als rij-instructeur en uit een
parttime dienstverband genoot.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat ten tijde hier van
belang niet kan worden gesproken van duurzaam gescheiden leven in
voormelde zin. Dit betekent dat, nu blijkens de gedingstukken de
inkomsten van appellante en [partner] gezamenlijk meer dan het wettelijk
minimumloon bedroegen, appellante geen recht had op een toeslag.
Aangezien appellante gedurende de in geding zijnde periode aan gedaagde
heeft gemeld dat [partner] niet meer bij haar woonde heeft zij in strijd
gehandeld met de ingevolge artikel 12 van de TW op haar rustende
inlichtingenverplichting. Als gevolg daarvan is aan haar over de periode
in geding ten onrechte een toeslag verleend. Gedaagde heeft de uitkering
van appellante dan ook terecht ingetrokken op grond van artikel 11a,
eerste lid, onder a, van de TW. Van dringende redenen als bedoeld in het
tweede lid van voornoemd artikel op grond waarvan gedaagde bevoegd zou
zijn geheel of gedeeltelijk van de intrekking af te zien, is de Raad
niet gebleken.
Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden
voor toepassing van artikel 20, eerste lid, van de TW, zodat gedaagde
gehouden was tot terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag
over de periode van 1 januari 1997 tot 1 juni 1999 over te gaan.
Van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te
zien is de Raad niet gebleken.
Gezien het vorenstaande ziet de Raad aanleiding om te bepalen dat de
rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand blijven.
De Raad ziet ten slotte aanleiding om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in
beroep en op € 322,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van 18 mei 2001;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand
blijven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
van € 966,-- , te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in
totaal € 109,23 vergoedt.
Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. A.B.J. van
der Ham en mr. S.W. van Osch-Leysma als leden, in tegenwoordigheid van
S.W.H. Peeters als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 16
november 2004.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) S.W.H. Peeters.
|
|