|
Uitspraak
02/4772
TW, 02/4774 WAO en 04/5170 TW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers
verzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale
verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede
verstaan het Lisv, dan wel de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het
bestuur van de Nieuwe Algemene Bedrijfsvereniging.
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op daartoe
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 30 juli 2002, nrs.
WAO 01/2767 DGG en TW 01/2769 DGG, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft twee verweerschriften ingediend.
Bij brief van 13 september 2004 heeft mr. Kuit nog enkele stukken in het
geding gebracht, waarna hij bij brief van 22 september 2004 vragen van de Raad heeft beantwoord.
De gedingen zijn behandeld ter zitting van de Raad op 24 september 2004,
waar appellant in persoon is verschenen bijgestaan door mr. Kuit,
voornoemd, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G.J.
Samson, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellant is werkzaam geweest als electromonteur via uitzendbureaus. Met
ingang van 2 maart 1992 heeft hij zijn werkzaamheden in dienst van uitzendbureau
[werkgever 2] wegens ziekte gestaakt. Gedaagde heeft vervolgens met
ingang van 1 maart 1993 - onder meer - een uitkering ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) aan appellant toegekend,
gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij
besluit van 13 juli 1994 heeft gedaagde deze uitkering met ingang van 1
augustus 1994 herzien naar de arbeidsongeschiktheidsklasse van 25 tot
35%. Voorts heeft gedaagde met ingang van 1 augustus 1994 aan appellant
een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend.
Op verzoek van appellant heeft gedaagde in 1998 de mate van
arbeidsongeschiktheid van appellant herbeoordeeld. Op grond van de
bevindingen van de verzekeringsarts is gedaagdes arbeidsdeskundige toen
tot de slotsom gekomen dat er geen aanleiding was appellant in te delen
in een andere arbeidsongeschiktheidsklasse. Deze conclusie heeft de
arbeidsdeskundige bij brief van 28 juli 1998 aan appellant medegedeeld.
Appellant is met ingang van 1 oktober 1999 gaan werken als manager
technische dienst bij [naam werkgever] te [vestigingsplaats]. Op 10
april 2000 heeft appellant deze werkzaamheden gestaakt in verband met
een toename van epileptische aanvallen.
Bij besluit van 7 maart 2001 heeft gedaagde de aan appellant toegekende
WAO-uitkering met ingang van 6 april 2001 herzien en nader vastgesteld
in de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%. Tevens is in dit
besluit vermeld dat het dagloon per die datum f 210,97 bedraagt.
Vervolgens is door gedaagde op 9 maart 2001 opdracht gegeven voor een
buitendienstonderzoek in verband met de vaststelling van het dagloon van
appellant. Nadien hebben enkele telefonisch contacten plaatsgevonden
tussen appellant en gedaagde. Op 19 april 2001 heeft appellant een kopie
van het besluit van 7 maart 2001 opgehaald bij gedaagde, omdat hij dat besluit niet zou
hebben ontvangen. Vervolgens is namens appellant op 3 mei 2001 bezwaar
gemaakt tegen dat besluit. Bij beslissing op bezwaar van 29 oktober 2001
(hierna: besluit 1) heeft gedaagde de bezwaren van appellant, gericht
tegen het besluit van 7 maart 2001, ongegrond verklaard.
Bij besluit van 1 juni 2001 heeft gedaagde de aan appellant toegekende
toeslag ingevolge de TW over het tijdvak van 1 oktober 1999 tot en met 22 november 1999 ingetrokken, omdat appellant
verzuimd zou hebben gedaagde te informeren over zijn inkomsten uit
arbeid. Bij besluit van dezelfde datum heeft gedaagde de over genoemd
tijdvak onverschuldigd betaalde toeslag tot een bedrag 613,80 van
appellant teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 29 oktober 2001
(hierna: besluit 2) heeft gedaagde de bezwaren van appellant tegen de
besluiten van 1 juni 2001 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat
het appellant vanaf 1 oktober 1999 redelijkerwijs duidelijk had kunnen
zijn dat hij geen recht had op een toeslag, zodat daarop ook over het
tijdvak vanaf 23 november 1999 geen recht bestond.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen besluit 1 gegrond
verklaard, dat besluit vernietigd en zelf in de zaak voorziend het
namens appellant ingediende bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
Daartoe is overwogen dat aannemelijk is te achten dat appellant op 22
maart 2001 in het bezit was van het besluit van 7 maart 2001 en dat er
geen reden bestaat te twijfelen aan de verzending van dat besluit op 7
maart 2001, zodat het bezwaar van 3 mei 2001 te laat is ingediend.
Voorts is overwogen dat niet kan worden gezegd dat appellant
redelijkerwijs niet in verzuim is geweest tijdig een bezwaarschrift in
te dienen. Het beroep tegen besluit 2 heeft de rechtbank ongegrond
verklaard.
In hoger beroep is namens appellant met betrekking tot besluit 1
aangevoerd dat appellant het besluit van 7 maart 2001 eerst op 19 april
2001 heeft ontvangen, zodat gedaagde terecht heeft besloten het
bezwaarschrift als tijdig aan te merken. Voorts is met betrekking tot
besluit 1 aangevoerd dat gedaagde ten onrechte heeft besloten om de
WAO-uitkering eerst na verloop van een wachttijd van 52 weken te
herzien. Volgens appellant had de uitkering op grond van artikel 39a van
de WAO na een wachttijd van vier weken herzien moeten worden. Verder is
aangevoerd dat het dagloon op een hoger bedrag vastgesteld had moeten
worden, omdat appellant bij [werkgever 2] meer loon ontving. Ten aanzien
van besluit 2 is aangevoerd dat appellant gedaagde wel tijdig heeft geοnformeerd
over zijn inkomsten uit arbeid, zodat er geen aanleiding bestaat tot
intrekking van de toeslag, en subsidiair dat appellant een lager bedrag
aan toeslag heeft ontvangen dan het bedrag dat thans wordt
teruggevorderd.
Bij brief van 13 september 2004 zijn namens appellant enkele stukken in
het geding gebracht. Daarbij is overgelegd een besluit van gedaagde van
26 juni 2003, waarbij aan appellant over het tijdvak van 1 oktober 1999
tot en met 22 november 1999 alsnog een toeslag is toegekend ter hoogte
van 14,87 per dag. Gedaagde heeft de aan appellant toegekende
toeslag over dit tijdvak toen direct aan appellant betaald. Desgevraagd
is namens appellant meegedeeld dat met het nadere besluit van 23 juni
2003 door gedaagde geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van
appellant tegen besluit 2, voorzover betrekking hebbend op de intrekking
van de toeslag, en dat het hoger beroep in zoverre wordt ingetrokken.
Verder is namens appellant overgelegd een beslissing op bezwaar van 9
augustus 2004, waarbij gedaagde heeft besloten zijn besluit van 22 maart
2004 - tot invordering van de onverschuldigd betaalde toeslag door middel
van verrekening van die vordering in 18 termijnen van 29,85 per
maand - niet te handhaven, omdat appellant geen aflossingscapaciteit
heeft en voorlopig niets hoeft terug te betalen. Met betrekking tot dit
besluit is namens appellant meegedeeld dat daarmee niet volledig aan
zijn bezwaren ten aanzien van de terugvordering is tegemoet gekomen,
omdat hij meent dat een terugvordering na het besluit van 26 juni 2003
niet langer aan de orde is. Ter zitting heeft appellant medegedeeld zijn
grieven betrekking hebbend op de vaststelling van de hoogte van het
dagloon niet langer te handhaven.
De Raad overweegt het volgende.
Allereerst dient de Raad te beoordelen of de rechtbank terecht heeft
geoordeeld dat gedaagde het tegen het besluit van 7 maart 2001 ingediende bezwaar niet-ontvankelijk had moeten verklaren.
Ten aanzien van dit geschilpunt stelt de Raad voorop dat gedaagde dit
besluit niet aangetekend aan appellant heeft verzonden en dat appellant
de ontvangst van dat besluit vσσr 19 april 2001 op niet
ongeloofwaardige wijze heeft ontkend. Uit de in het dossier aanwezige
notities met betrekking tot met appellant gevoerde telefoongesprekken in
maart en april 2001 kan naar ΄s Raads oordeel niet afgeleid worden dat
appellant toen al beschikte over voornoemd besluit. Verder acht de Raad
van belang dat appellant op 19 april 2001 zelf het besluit heeft
opgehaald bij gedaagde, hetgeen aannemelijk maakt dat hij nog niet
beschikte over dat besluit. Nu appellant spoedig na ontvangst van het
besluit op 19 april 2001 op 3 mei 2001 bezwaar heeft gemaakt moet naar ΄s Raads oordeel geconcludeerd worden dat redelijkerwijs niet
geoordeeld kan worden dat appellant in verzuim is geweest.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak niet
in stand kan blijven voorzover daarbij het beroep ten aanzien van
besluit 1 gegrond is verklaard, dat besluit is vernietigd en de
rechtbank - zelf in de zaak voorziend - het bezwaar alsnog
niet-ontvankelijk heeft verklaard. De Raad ziet voorts, mede gelet op
hetgeen partijen hieromtrent ter zitting hebben opgemerkt, voldoende
aanleiding de zaak niet terug te wijzen naar de rechtbank nu een nadere
behandeling door de rechtbank niet noodzakelijk wordt geacht.
Ten aanzien van besluit 1 is tussen partijen slechts in geschil of
gedaagde terecht een wachttijd van 52 weken heeft gehanteerd alvorens de
WAO-uitkering van appellant te herzien naar de
arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.
Namens appellant is aangevoerd dat op grond van artikel 39a van de WAO
een wachttijd van vier weken gehanteerd had moeten worden. Daarbij heeft
appellant erop gewezen dat bij besluit van 30 juli 1998 aan hem is
meegedeeld dat zijn WAO-uitkering niet werd herzien, welk besluit de in
artikel 39a van de WAO genoemde termijn van vijf jaar heeft gestuit. De
Raad kan dit standpunt niet onderschrijven. Zoals de Raad al eerder
heeft overwogen in zijn uitspraak van 5 september 2001 (RSV 2001/252)
kan een weigering een uitkering te herzien, gelet op de aard van de in
artikel 39a, eerste lid, van de WAO vervatte regeling, niet gelden als
een herziening als bedoeld in dat artikellid. Nu de WAO-uitkering van
appellant voordien voor het laatst in 1994 is herzien heeft gedaagde
terecht besloten een wachttijd van 52 weken te hanteren.
Met betrekking tot besluit 2 stelt de Raad vast dat in hoger beroep
tussen partijen nog slechts in geschil is of gedaagde terecht heeft
besloten tot terugvordering van de over het tijdvak van 1 oktober 1999
tot en met 22 november 1999 betaalde toeslag ad 613,80. Gedaagde
heeft deze terugvordering gebaseerd op het besluit van 1 juni 2001,
waarbij de toeslag over dit tijdvak is ingetrokken. Bij besluit van 26
juni 2003 is gedaagde echter teruggekomen van het besluit van 1 juni
2001 en is alsnog toeslag toegekend tot een gelijk of vrijwel gelijk
bedrag. Dit betekent dat de grondslag aan de thans in geschil zijnde
terugvordering in zoverre is komen te ontvallen, zodat besluit 2 niet in
stand kan blijven. Het feit dat gedaagde na het besluit van 26 juni 2003
nogmaals de toeslag heeft betaald aan appellant vermag de Raad niet tot
een ander oordeel te brengen, aangezien de terugvordering van die
betaling niet aan het bestreden besluit ten grondslag is gelegd. Nu de
terugvordering niet in stand kan blijven is ook de grondslag aan de
invordering komen te ontvallen en komt de Raad niet meer toe aan een
bespreking van hetgeen gedaagde daaromtrent heeft besloten.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak met betrekking tot besluit 1 voor vernietiging in aanmerking
komt, en dat het inleidend beroep tegen besluit 1 alsnog ongegrond
verklaard dient te worden. De aangevallen uitspraak betrekking hebbend
op besluit 2 komt, voorzover aangevochten, eveneens voor vernietiging in
aanmerking, evenals besluit 2 en het inleidend beroep tegen dat besluit
dient ook gegrond verklaard te worden.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in eerste
aanleg ten aanzien van besluit 2 en in hoger beroep ten aanzien van
besluit 1 en 2. Deze kosten worden begroot op 322,- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en op 1288,- voor verleende rechtsbijstand
in hoger beroep, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak met betrekking tot besluit 1;
Verklaart het inleidend beroep tegen besluit 1 ongegrond;
Vernietigt de aangevallen uitspraak met betrekking tot besluit 2;
Verklaart het inleidend beroep tegen besluit 2 gegrond en vernietigt dat
besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met
inachtneming van het hiervoor overwogene;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in
hoger beroep tot een bedrag groot 1610,- te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het in beroep en in hoger beroep gestorte recht van 191,23
vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 november 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|