|
Uitspraak
02/4331
TW en 02/4333 TW
U I T S P R A A K
in de gedingen tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv.
Appellant heeft op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar op 11 juli 2002
gewezen uitspraak, reg.nr. 00/1410 en 01/623, waarnaar hierbij wordt
verwezen.
Mr. W.A. Swildens, advocaat te Utrecht, heeft namens gedaagde een
verweerschrift ingediend.
De gedingen zijn gevoegd behandeld ter zitting van de Raad van 6 oktober
2004, waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.J.
van Ogtrop, werkzaam bij het Uwv en waar gedaagde in persoon is
verschenen, met bijstand van mr. Swildens, voornoemd. Op verzoek van mr.
Swildens is ter zitting verschenen en als getuige gehoord D. de Mooij,
wonende te Haarlem.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat de in deze gedingen aan de orde zijnde
geschillen worden beoordeeld aan de hand van de Werkloosheidswet (WW) en
de Toeslagenwet (TW) en de daarop berustende bepalingen, zoals die
luidden ten tijde als hier van belang.
Aan gedaagde is over de periode van 1 mei 1995 tot en met 31 januari
1998 een uitkering ingevolge de WW toegekend en in aanvulling hierop
ontving hij over de periode van 27 november 1995 tot en met 3 januari
1997 een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW).
Naar aanleiding van een bij appellant in november 1997 ingekomen
anonieme melding met betrekking tot werkzaamheden die gedaagde al
gedurende een lange periode bij de Zaanse schroothandel zou verrichten,
is vervolgens door de Opsporingsdienst GAK Nederland bv, regio
Noord-West, in 1999 een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van
de aan gedaagde verstrekte uitkeringen.
Op basis van de bevindingen van voormeld onderzoek heeft appellant
gedaagde bij besluit van 20 augustus 1999 meegedeeld dat hij in de
periode van 30 september 1996 tot en met 18 januari 1998 niet langer
werkloos is te achten in de zin van de WW, omdat hij werkzaamheden heeft
verricht. Voorts heeft hij appellant van die werkzaamheden niet c.q.
niet tijdig op de hoogte gesteld. Het recht op uitkering ingevolge de WW
en de TW wordt over voormelde periode geheel beëindigd. Eveneens bij
besluit van 20 augustus 1999 heeft appellant de als gevolg daarvan aan
gedaagde onverschuldigd betaalde uitkeringen, ten bedrage van in totaal
€ 14.177,77 (f. 31.243,69) teruggevorderd. Bij besluit op bezwaar van
8 augustus 2000, het bestreden besluit, heeft appellant de bezwaren
tegen de beide besluiten ongegrond verklaard.
Bij besluit van 14 april 2000 heeft appellant vanwege de schending van
de mededelingsplicht gedaagde een boete opgelegd van f 1.800,--. Na
bezwaar hiertegen is die boete bij besluit van 16 februari 2001
gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de tegen de besluiten
van respectievelijk 8 augustus 2000 en 16 februari 2001 ingestelde
beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd onder toewijzing
van proceskosten en griffierecht, en bepaald dat appellant een nader
besluit dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is
overwogen. De rechtbank heeft vastgesteld dat het, gelet op de
getuigenverklaringen en op hetgeen gedaagde tijdens de hoorzitting heeft
verklaard, voldoende aannemelijk is dat gedaagde tijdens de in geding
zijnde periode meer uren heeft gewerkt dan de 16 uur die hij op zijn
werkbriefjes heeft ingevuld. De rechtbank is van oordeel dat nu gedaagde
heeft verzuimd precieze gegevens omtrent de omvang en de duur van zijn
werkzaamheden te verstrekken, appellant schattenderwijs mocht overgaan
tot vaststelling daarvan; de rechtbank houdt het met appellant niet voor
onjuist dat gedaagde in de periode van 30 september 1996 tot en met 18
januari 1998 fulltime heeft gewerkt.
De rechtbank is echter ook van oordeel dat appellant ten onrechte geen
toepassing heeft gegeven aan artikel 22a, tweede lid, van de WW en
artikel 11a, tweede lid, van de TW, waarin is bepaald dat bij de
aanwezigheid van een dringende reden kan worden besloten geheel of
gedeeltelijk van herziening of intrekking van de uitkering af te zien.
De rechtbank doelt daarbij op de toepassing van de algemene beginselen
van behoorlijk bestuur. De rechtbank stelt zich op het standpunt dat
appellant niet voldoende voortvarend heeft gereageerd op signalen die
appellant in 1996 en 1997 reeds heeft ontvangen en die eerst in 1999 tot
een onderzoek hebben geleid. Daarbij overweegt de rechtbank dat als
appellant wel met voortvarendheid zou hebben gehandeld niet over zo’n
lange periode herzien had behoeven te worden, terwijl bovendien niet kan
worden ontkend dat gedaagde door deze vertraging belemmerd is in de
mogelijkheden zich te verweren. De rechtbank komt dan ook tot de
conclusie dat appellant ten onrechte niet heeft bezien of het niet
adequaat reageren aanleiding had moeten vormen om gedeeltelijk van de
herziening van de uitkering ingevolge de WW en de TW af te zien. Het
besluit van 8 augustus 2000 ontbeert in zoverre een deugdelijke
motivering op grond waarvan de grondslag aan de terugvordering komt te
ontvallen, hetgeen betekent dat het besluit voor vernietiging in
aanmerking komt. Het boetebesluit van 16 februari 2001 kan evenmin in
stand blijven, aldus de rechtbank.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat in het gestelde niet
adequaat reageren geen reden is gelegen voor het aannemen van een
dringende reden. Dringende redenen kunnen slechts gelegen zijn in de
onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een herziening of intrekking, de
oplegging van een maatregel of van een boete of een terugvordering voor
een verzekerde heeft. Tot die gevolgen behoort niet de omstandigheid dat
niet adequaat zou zijn gereageerd op de bedoelde signalen.
Gedaagde heeft gesteld dat appellant de omvang van de gewerkte uren
onjuist heeft vastgesteld. Voor het overige stelt gedaagde zich achter
de overwegingen van de rechtbank.
De Raad overweegt als volgt.
Met betrekking tot gedaagdes stelling dat de rechtbank ten onrechte het
standpunt van appellant heeft onderschreven over de omvang van de
gewerkte en niet opgegeven uren overweegt de Raad dat ook hij dat
standpunt onderschrijft op de gronden die de rechtbank in de aangevallen
uitspraak daartoe heeft gebezigd.
Gedaagde heeft met betrekking tot de terugvordering ter zitting nog een
beroep gedaan op het besluit van het bestuur van het Tica van 19
februari 1997 (Stcrt. 1997/59) “Beleid inzake herziening en intrekking
van uitkering” ten betoge dat appellant ten onrechte het gehele bedrag
aan onverschuldigd betaalde uitkeringen heeft teruggevorderd. Dit
besluit ziet echter op artikel 22a van de WW en niet op het thans van
belang zijnde artikel 36 van de WW.
De Raad is met appellant van oordeel dat de rechtbank ten onrechte meent
dat de dringende reden ook ziet op de oorzaak van de herziening c.q.
terugvordering. Naar de Raad al eerder heeft doen blijken kunnen redenen
om van herziening c.q. terugvordering af te zien slechts zijn gelegen in
de onaanvaardbaarheid van de gevolgen van die herziening en
terugvordering voor de betrokkene. Niet is gebleken dat een dergelijke
onaanvaardbaarheid hier aan de orde is. Ook overigens is de Raad van
oordeel dat de hier aan de orde zijnde besluiten tot herziening en
terugvordering niet in strijd zijn met enige regel van geschreven of
ongeschreven recht of enig algemeen rechtsbeginsel. Het enkele feit dat
het fraudeonderzoek wellicht eerder voltooid had kunnen worden brengt
dit niet mee.
Het eerder overwogene heeft tevens tot gevolg dat geoordeeld moet worden
dat de rechtbank het bestreden besluit met betrekking tot de boete ten
onrechte heeft vernietigd.
De Raad komt op grond van het hiervoor overwogene tot de slotsom dat het
bestreden besluit in rechte stand kan houden. De aangevallen uitspraak,
waarbij dat besluit ten dele is vernietigd, komt derhalve voor
vernietiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
De Raad beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom als voorzitter en mr. C.P.J.
Goorden en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L.
Karssenberg als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 november
2004.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.
|
|