|
Uitspraak
02/5226
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante is J. ter Welle, werkzaam bij Countus, accountants en
adviseurs te Zwolle, op bij aanvullend beroepschrift - annex bijlagen -
aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen tegen de uitspraak van de
rechtbank Almelo van 12 september 2002, nr. 01/954 TW VI A, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend, waarop namens appellante is
gereageerd.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 8 oktober 2004, waar
appellante, met voorafgaand bericht, niet is verschenen, terwijl voor
gedaagde is verschenen J. de Graaf, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Appellante is sedert 1980 in het genot van een uitkering ingevolge de
Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, per 1 januari 1998 omgezet in een
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
zelfstandigen (WAZ). Haar echtgenoot oefent als zelfstandige het
landbouwbedrijf uit. Op het formulier ‘begeleiding en controle WAO, WAZ, Wajong, TW 1998’, gedateerd 4 mei 1998, heeft appellante op de
vraag of zij voor 1997 voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet
(TW) in aanmerking wil komen, ‘nee’ aangekruist. Vervolgens heeft
Countus accountants en belastingadviseurs, in de persoon van J. ter
Welle, bij brief van 18 december 1998 aan gedaagde om vastlegging van
appellantes TW-claim voor het jaar 1998 verzocht. Op het formulier
‘begeleiding en controle WAO, WAZ, Wajong, TW 1999’, gedagtekend 17 juni 1999, geeft appellante aan dat zij haar rechten op grond van de
TW voor het jaar 1999 wil veiligstellen. Op de vraag of zij voor 1998
een toeslag wil aanvragen heeft zij ‘nee’ aangekruist.
Bij brief van 18 juli 2000 heeft appellantes gemachtigde de financiële
stukken van appellantes echtgenoot over het boekjaar 1998 ingezonden. De
winst uit onderneming bedraagt in 1998 f 9.080,-. Verzocht is om
toekenning van de toeslag over het jaar 1998.
Bij brief van 15 mei 2001 heeft gedaagde aan appellantes gemachtigde een
aanvraagformulier Toeslagenwet 1998 doen toekomen. Het formulier werd
namens appellante op 22 mei 2001 ingevuld geretourneerd en op 25 mei
2001 door gedaagde ontvangen.
Bij besluit van 11 juli 2001 heeft gedaagde aan appellante bericht dat
zij in principe recht heeft op een toeslag vanaf 1 januari 1998.
Toekenning van een toeslag kan echter slechts plaatsvinden met
terugwerkende kracht van één jaar. Gezien de datum van de aanvraag, 25
mei 2001, wordt de aanvraag om toekenning van de toeslag over het jaar
1998 afgewezen.
In bezwaar is namens appellante naar voren gebracht dat de brief van
appellantes belastingadviseur van 18 december 1998 als aanvraagdatum
dient te worden aangemerkt. Opgemerkt wordt verder dat indien er al
onduidelijkheid bestond over de vraag of appellante voor het jaar 1998
in aanmerking wenste te komen voor een toeslag, het op de weg van
gedaagde had gelegen daaromtrent navraag te doen.
Bij besluit van 26 oktober 2001, hierna: het bestreden besluit, is het
bezwaar ongegrond verklaard. Opgemerkt wordt dat de brief van de
gemachtigde van 18 december 1998 aangemerkt dient te worden als een
aanvraag om toeslag over het jaar 1998. Bij het formulier ‘begeleiding
en controle WAO, WAZ, Wajong, TW 1999’ is door appellante evenwel
aangegeven dat zij over het jaar 1998 geen toeslag wil aanvragen.
Volgens gedaagde kan dit niet anders worden gezien dan als een
intrekking van de middels de brief van 18 december 1998 door de
gemachtigde gedane aanvraag. Vervolgens is op 18 juli 2000 opnieuw een toeslag over het jaar 1998 aangevraagd. Die
aanvraag moet, gezien de termijn neergelegd in artikel 11, zevende lid,
van de TW (toekenning maximaal één jaar vóór aanvraag), worden
afgewezen. Daarbij wordt opgemerkt dat er geen sprake is van een
bijzonder geval.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van
de rechtbank heeft gedaagde in redelijkheid kunnen oordelen dat er geen
sprake is van een bijzonder geval waarin gedaagde bevoegd is om toeslag
toe te kennen met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar.
In hoger beroep hebben partijen hun in eerdere instanties voorgedragen
argumenten in essentie herhaald.
De Raad oordeelt als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat door appellantes gemachtigde bij
brief van 18 december 1998 voor haar een aanvraag om toekenning van een toeslag op
grond van de TW voor het jaar 1998 is ingediend. Gedaagde stelt zich
evenwel op het standpunt dat appellante zelf bij het formulier
‘begeleiding en controle WAO, WAZ, Wajong, TW 1999’, op welk
formulier zij op de vraag of zij over het jaar 1998 een toeslag wenste
aan te vragen, ‘nee’ heeft aangekruist, de door haar gemachtigde
gedane aanvraag heeft ingetrokken. Uit dien hoofde heeft gedaagde de
brief van appellantes gemachtigde van 18 juli 2000 als (relevante) aanvraag voor een toeslag over het jaar
1998 aangemerkt.
Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde aldus gehandeld in strijd
met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)
neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. Uit het zorgvuldigheidsbeginsel
vloeide in dit geval voort dat gedaagde, alvorens tot de conclusie te
mogen komen dat de aanvraag door appellante was ingetrokken, daaromtrent
bij appellantes gemachtigde navraag had gedaan. De Raad wijst in dat
verband (mede) op artikel 2:1, eerste lid, van de Awb, uit welke
bepaling, blijkens de wetsgeschiedenis, voortvloeit dat bij het optreden
van een gemachtigde het verkeer tussen bestuursorgaan en burger in
beginsel via de gemachtigde dient te verlopen.
De Raad concludeert dat het bestreden besluit, en de uitspraak van de
rechtbank waarbij dat besluit in stand is gelaten, niet in stand kunnen
blijven.
De Raad acht termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de
proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten
worden begroot op € 644,- in eerste aanleg en € 322,-, in hoger
beroep, voor verleende rechtsbijstand.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming
van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag
groot € 966,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het gestorte recht van € 109,23 vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 november 2004.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|