|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 02/6301 TW en 03/1043 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. M.C. Frissart-Kallenbach, advocaat te
Nijmegen, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger
beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Arnhem op 6 november 2002
tussen partijen gewezen uitspraak ( 00/2335), naar de inhoud waarvan
hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 17 november 2004,
waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr.
Frissart-Kallenbach voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft doen
vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
Uit de gedingstukken blijkt dat appellant vanaf 10 juni 1998 naast een
gedeeltelijke uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) berekend naar 25 tot 35%
arbeidsongeschiktheid, een uitkering ingevolge de Ziektewet ontving.
Bij besluit van 19 oktober 1998 heeft gedaagde aan appellant op diens
verzoek een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend van f.
31,40 bruto per dag.
Appellant heeft deze toeslag ontvangen tot 8 april 1999.
Bij besluit van 26 november 1999 heeft gedaagde de aan appellant
verstrekte toeslag met ingang van 11 juni 1998 herzien en vastgesteld op
f. 15,09 bruto per dag.
Bij besluit van 6 december 1999 heeft gedaagde appellant in kennis
gesteld van een besluit, waarbij de aan hem over de periode van 11 juni
1998 tot en met 7 april 1999 onverschuldigd betaalde toeslag ten bedrage
van f. 3873,24 van hem is teruggevorderd.
Bij besluit van 21 november 2000 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde het bezwaar tegen de besluiten van 26 november 1999 en 6
december 1999 ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het bestreden besluit
vernietigd onder overweging dat de herziening en de terugvordering als
ingangsdatum 19 oktober 1998 - de datum van eerst vermeld besluit - dienen te hebben.
Gedaagde heeft ter uitvoering van deze uitspraak een nader besluit van
11 februari 2003 genomen, waarbij de toeslag met ingang van 20 oktober
1998 wordt herzien en ook het bedrag van de terugvordering is aangepast.
Met dit besluit (hier verder: besluit 2) is wijziging gebracht in het
bestreden besluit. Nu besluit 2 niet geheel aan appellants beroep
tegemoet komt, wordt ingevolge de artikelen 6:19, eerste lid en 6:24 van
de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dit beroep geacht mede te zijn
gericht tegen dat besluit.
Het hoger beroep van appellant is gericht tegen het oordeel van de
rechtbank dat de herziening van de toeslag diende in te gaan op 19
oktober 1998.
De rechtbank heeft bij de vorming van dit oordeel overwogen dat het
bestreden besluit is genomen in overeenstemming met gedaagdes beleid,
neergelegd in de Regeling schorsing, opschorting, herziening en
intrekking uitkeringen (UWV-besluit van 18 april 2000, Stcrt. 2000, 89).
Naar het oordeel van de rechtbank kon het appellant door kennisneming
van het besluit van 19 oktober 1998 redelijkerwijs duidelijk zijn, dat
hem een te hoge toeslag krachtens de TW werd verstrekt.
De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
In het besluit van 19 oktober 1998 is duidelijk vermeld dat appellants
totale inkomen met de toeslag kon worden aangevuld tot maximaal het
minimumloon, zijnde f. 104,66 bruto per dag. In aanmerking genomen dat
appellants inkomen destijds bestond uit een uitkering ingevolge de WAO
ten bedrage van f. 38,29 en een ziekengelduitkering van f. 51,28, zodat
toekenning van een toeslag van f. 31,40 ertoe leidde dat het totale
inkomen boven voormelde grens uitkwam, kon appellant redelijkerwijs
begrijpen dat hij te veel toeslag ontving.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep tegen besluit 2 ongegrond
dient te worden verklaard.
Uit besluit 2 blijkt dat gedaagde te veel aan toeslag heeft ingevorderd
en dat appellant recht heeft op nabetaling van de uitkering op grond van
de TW over de periode van 11 juni 1998 tot en met 19 oktober 1998 ten
bedrage van € 756,07. Ter zitting van de Raad heeft appellants
gemachtigde bevestigd dat gedaagde bij terugbetaling van dit bedrag
daarover ook rente heeft betaald. Onder deze omstandigheden ziet de Raad
geen belang meer bij de beoordeling van het hoger beroep, zodat dit
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Verklaart het beroep tegen besluit 2 ongegrond.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst in tegenwoordigheid van J. Verrips
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 december 2004.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J. Verrips.
|
|