|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 01/5667 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Marokko), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 15 januari 2001 heeft gedaagde aan appellant medegedeeld
dat zijn toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) in een periode van
drie jaar wordt afgebouwd.
Bij besluit van 22 februari 2001, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar van appellant tegen het besluit van 15 januari 2001
ongegrond verklaard.
De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 26 september 2001 het
beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit
vernietigd en bepaald dat gedaagde aan appellant het gestorte
griffierecht vergoedt.
Appellant is op bij beroepschrift aangevoerde gronden -aangevuld bij
schrijven van 28 november 2001- van die uitspraak in hoger beroep
gekomen.
Bij uitspraak van 7 mei 2002 is het beroep kennelijk niet-ontvankelijk
verklaard.
Bij brief gedateerd 23 januari 2004 heeft gedaagde aan de Raad doen
toekomen zijn besluit van 6 november 2003, waarbij appellants bezwaar
tegen het besluit van 15 januari 2001 gegrond is verklaard. Aangegeven
wordt dat de sedert 1 januari 2001 te weinig betaalde toeslag wordt
nabetaald vermeerderd met de verschuldigde wettelijke rente. De betaling
van de toeslag dient vanaf 1 januari 2003 te worden hervat.
Bij uitspraak van 12 maart 2004 is de uitspraak van 7 mei 2002 vervallen
verklaard.
Bij schrijven van 26 maart 2004 heeft gedaagde van verweer gediend.
Opgemerkt wordt dat, gezien het besluit van 6 november 2003 appellant geen procesbelang meer heeft bij zijn hoger
beroep. Verzocht wordt het hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren.
Bij schrijven van 26 april 2004 is namens appellant opgemerkt dat hij
recht heeft op een toeslag.
Bij schrijven van 28 september 2004 is door de griffier van de Raad aan
appellant verzocht mee te delen of met het besluit van 6 november 2003
door gedaagde volledig wordt tegemoetgekomen aan de bezwaren van
appellant en of hij het hoger beroep wenst te handhaven.
Bij brief van 18 oktober 2004 heeft appellant daarop geantwoord dat het
hoger beroep wordt gehandhaafd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 7 januari 2005, waar partijen - gedaagde met voorafgaand bericht
-
niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad zal eerst ingaan op de vraag of appellant, op grond van het
bepaalde in de artikelen 6:18 en 6:19 juncto 6:24 van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), geacht moet worden beroep te hebben ingesteld tegen
gedaagdes besluit van 6 november 2003.
Bij de in rubriek I genoemde brief van 18 oktober 2004 heeft appellant,
desgevraagd, te kennen gegeven dat hij graag wil dat aan hem de toeslag
wordt betaald sedert 1 januari 2001 tot en met heden en verder wil ik
niets meer. De Raad stelt vast dat bij gedaagdes besluit van 6
november 2003, gezien de inhoud van dat besluit, geheel aan de eisen van
appellant wordt tegemoet gekomen. De Raad concludeert dat appellants
beroep zich niet (tevens) uitstrekt over het besluit van 6 november
2003, zodat de Raad in dit geding over dat besluit geen uitspraak kan
doen.
De rechtbank heeft in de bestreden uitspraak geoordeeld dat het Algemeen
Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden
en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34) zich verzet tegen de afbouw
door gedaagde van appellants toeslag op de grond dat appellant in
Marokko woont. Op die grond is het beroep gegrond verklaard en is het
bestreden besluit vernietigd.
De Raad stelt vast dat de rechtbank het beroep van appellant volledig
heeft gehonoreerd. Gesteld noch gebleken is dat appellant bij het hoger
beroep enig belang heeft. De Raad concludeert dat het hoger beroep
niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb.
Uit het voorafgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon, in tegenwoordigheid van mr. M.F. van
Moorst als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 januari 2005.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M.F. van Moorst.
|
|