|
Uitspraak
02/6016
TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. J.W.H.M. Koers, advocaat te Doesburg, op bij
aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen
de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 november 2002, nr. 01/875
TW, waarnaar hierbij zij verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift - annex bijlage - ingediend.
Het geding ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad
op 15 oktober 2004, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn
verschenen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 28 november 2000 heeft gedaagde aan appellant bericht
dat zijn toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) in een periode van
drie jaar wordt afgebouwd. Ingaande 1 januari 2003 wordt de toeslag
geheel beëindigd. Aan deze beslissing heeft gedaagde ten grondslag
gelegd artikel XI van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU).
In bezwaar is door appellant aangevoerd dat hij de Nederlandse
nationaliteit heeft, zodat op hem de door gedaagde aan het besluit van
28 november 2000 ten grondslag gelegde regeling niet van toepassing is.
Bij besluit van 2 maart 2001 heeft gedaagde het bezwaar van appellant
tegen het besluit van 28 november 2000 ongegrond verklaard. Het besluit
is geadresseerd aan appellants, bij gedaagde bekende adres, in Turkije.
Aangegeven wordt dat appellant binnen zes weken beroep kan instellen bij
de rechtbank Amsterdam. Het beroep dient evenwel te worden gezonden aan
de rechtbank Alkmaar.
Bij beroepschrift gedateerd 4 april 2001 heeft mr. Koers voornoemd
beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam per adres rechtbank Alkmaar.
Als adres van appellant is daarbij door de gemachtigde opgegeven 6537 CG
Nijmegen, Meijenhorst nr. 2268.
Bij brief van 9 mei 2001 heeft de rechtbank Alkmaar het beroepschrift
doorgezonden naar de rechtbank Arnhem.
Bij de in rubriek I genoemde uitspraak heeft de rechtbank het beroep
niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de
vraag of tijdig beroep is ingesteld van openbare orde is, zodat de
rechtbank die vraag ambtshalve dient te onderzoeken. De rechtbank
vervolgt dat de beroepstermijn is aangevangen op 3 maart 2001, zodat 13 april 2001 de laatste dag van de beroepstermijn
was. Het beroepschrift is gedateerd 4 april 2001. Volgens artikel 6:15
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt - voor zover hier van
belang - een aan een onbevoegde bestuursrechter geadresseerd
beroepschrift ‘zo spoedig mogelijk doorgezonden’ naar het bevoegde
orgaan. Onder ‘zo spoedig mogelijk’ wordt verstaan in de regel twee
weken (CRvB 11 januari 1996, JB 1996/54). Het door de rechtbank Alkmaar
doorgezonden beroepschrift is door de rechtbank Arnhem ontvangen op 10
mei 2001. Door de rechtbank Alkmaar is het beroepschrift derhalve niet
binnen de genoemde 2-wekentermijn doorgezonden. In een dergelijk geval dient, voor de
beantwoording van de vraag of tijdig beroep is ingesteld, te worden
uitgegaan van de uiterste datum waarop nog gesproken zou kunnen worden
van een zo spoedig mogelijke doorzending. De rechtbank vervolgt dat
indien het beroepschrift tijdig, dat wil zeggen op de uiterste datum
binnen de 2 weken termijn, zou zijn doorgezonden, ook in dat geval het
beroepschrift na afloop van de beroepstermijn door de rechtbank Arnhem
zou zijn ontvangen. Geconcludeerd wordt dat het beroep te laat is
ingesteld. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard.
In het verweerschrift in hoger beroep heeft gedaagde aangegeven dat
blijkens gedaagdes administratiesysteem appellant nog steeds woonachtig
is in Turkije.
Het gaat in het onderhavige geding om de beantwoording van de vraag of
de rechtbank het beroep met recht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
Naar het oordeel van de Raad is dat niet het geval.
De Raad stelt voorop dat het beroepschrift ruim voor het verstrijken van
de beroepstermijn is ingediend bij de rechtbank Amsterdam. Naar het
oordeel van de Raad verschaffen de gedingstukken geen eenduidig antwoord
op de vraag waar appellant, ten tijde hier van belang, woonplaats had
als bedoeld in artikel 8:7, tweede lid, van de Awb. Indien appellant
zijn woonplaats had in Turkije is het beroepschrift tijdig ingediend bij
de conform genoemde bepaling bevoegde rechter, nu gedaagde zijn zetel
heeft in Amsterdam.
Ook indien moet worden aangenomen dat appellant, ten tijde hier van
belang, zijn woonplaats (reeds) had verplaatst van Turkije naar
Nijmegen, zodat de rechtbank Arnhem moet worden aangemerkt als de
bevoegde rechtbank, is, naar het oordeel van de Raad, het beroepschrift
tijdig ingediend.
Uit artikel 6:15, derde lid, van de Awb (oud), volgt, voor zover hier
van belang, dat het tijdstip van indiening van het beroepschrift bij de
onbevoegde rechtbank bepalend is voor het antwoord op de vraag of het
beroepschrift tijdig is ingediend, indien de onbevoegdheid van de
rechtbank voor de indiener van het geschrift onduidelijk kon zijn.
Aan laatstgenoemde voorwaarde is naar het oordeel van de Raad in de
hiervoor aangenomen omstandigheden voldaan. Daartoe wijst de Raad er
allereerst op dat in het besluit op bezwaar de rechtbank Amsterdam als
de bevoegde rechtbank wordt aangewezen. Daarnaast moet naar het oordeel
van de Raad worden geoordeeld dat bij appellant in dat geval
redelijkerwijs onduidelijkheid kon bestaan of hij, ten tijde van belang,
(reeds) woonplaats had in Nederland in de zin van artikel 8:7, tweede
lid, van de Awb.
De Raad concludeert dat de uitspraak van de rechtbank, waarbij appellant
in zijn beroep niet-ontvankelijk is verklaard, voor vernietiging in
aanmerking komt.
De Raad zal de zaak, op de voet van artikel 26, eerste lid, van de
Beroepswet, terugwijzen naar de rechtbank. In verband met de berechting
van het geschil na terugwijzing merkt de Raad op dat de rechtbank, gelet
op de hiervoor geconstateerde onduidelijkheid over de woonplaats van
appellant, dat punt nader zal dienen te onderzoeken.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger
beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende
rechtsbijstand.
Uit het voorgaande vloeit voort dat als volgt moet worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Wijst de zaak terug naar de rechtbank Arnhem;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het gestorte recht van € 82,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|