|
Uitspraak
03/2021 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 14 januari 2002 heeft appellant van gedaagde een bedrag
van € 4.031,70 bruto + overhevelingstoeslag teruggevorderd in verband
met over de periode van 1 juni 2000 tot en met 1 november 2001
onverschuldigd aan gedaagde betaalde toeslag op grond van de
Toeslagenwet (TW).
Gedaagde heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 17 april 2002, hierna: het bestreden besluit, heeft
appellant dit bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank ’s-Gravenhage heeft bij uitspraak van 6 maart 2003, reg.nr.
AWB 02/1926 TW, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opdracht gegeven een
nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen er in haar uitspraak
is overwogen. Appellant is voorts opgedragen het door gedaagde betaalde
griffierecht te vergoeden.
Appellant is van die uitspraak in hoger beroep gekomen.
Namens gedaagde heeft mr.W.J. Nijland, advocaat te ’s-Gravenhage, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 18 januari 2005, waar
namens appellant is verschenen M.L. Turnhout, werkzaam bij het Uwv,
terwijl gedaagde, met voorafgaand bericht, niet is verschenen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant als verweerder is
aangeduid en gedaagde als eiser, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"Eiser heeft het besluit van 8 januari 2002 waarbij de
toeslag op de WAO-uitkering met ingang van 1 juni 2000 is beëindigd,
niet in rechte bestreden. Dit besluit moet daarom als rechtens
onaantastbaar worden aangemerkt. Daarmee staat vast dat verweerder,
gelet op de imperatieve redactie van artikel 20, eerste lid, van de TW,
gehouden was de als gevolg daarvan onverschuldigd betaalde toeslag van
eiser terug te vorderen, behoudens dringende redenen als bedoeld in
artikel 20, vierde lid, van de TW.
Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat gesteld noch gebleken
is van dringende redenen om van de terugvordering af te zien.
Eiser betwist de terugvordering van de toeslag, omdat deze na zo’n
lange tijd met terugwerkende kracht plaatsvindt, terwijl eiser op tijd
en regelmatig de juiste gegevens omtrent zijn inkomsten uit arbeid aan
verweerder heeft verstrekt. Het is volgens eiser aan verweerder te
wijten dat het zolang heeft geduurd voordat het recht op toeslag werd beëindigd."
De rechtbank heeft vervolgens de volgende overwegingen in haar oordeel
betrokken en hierbij ook gewezen op jurisprudentie van de Centrale Raad
van Beroep.
"Gelet op hetgeen eiser heeft aangevoerd is de vraag
die partijen verdeeld houdt of in het onderhavige geval sprake is van
een dringende reden, meer in het bijzonder op grond van het
rechtszekerheidsbeginsel, die aan terugvordering in de weg staat.
Ingevolge de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep (USZ
2002/305) is voor het aannemen van een dringende reden op grond van het
rechtzekerheidsbeginsel slechts aanleiding indien sprake is van zo’n
bijzonder geval dat strikte toepassing van artikel 57 van de WAO (welk
artikel vergelijkbaar is met artikel 20 van de TW) in die mate in strijd
met het rechtszekerheidsbeginsel is dat zij op grond daarvan geen
rechtsplicht meer kan zijn. Volgens vaste rechtspraak is een bijzonder
geval als evenbedoeld slechts aan de orde in die gevallen waarin kan
worden gewezen op een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling van het
uitvoeringsorgaan, aan welke mededeling geen onjuiste of onvolledige
inlichtingen van betrokkene debet waren of dat de onjuistheid van dat
standpunt door betrokkene anderszins niet had behoren te zijn onderkend.
De rechtbank stelt vast dat eiser in 2000 en 2001 (tenminste) drie maal
zijn inkomsten uit arbeid heeft opgegeven. Verweerder heeft naar
aanleiding van deze informatie tot de datum van 8 januari 2002 geen
enkele actie ondernomen. Blijkens de “voorlegger
bezwaarschriftenprocedure” (gedingstuk B12) is daarentegen aan eiser
desgevraagd meermalen bevestigd dat het juist is dat hij de toeslag nog
steeds ontvangt naast zijn inkomsten uit arbeid. Verweerder heeft deze
toezeggingen nimmer betwist.
Uit vorenstaande omstandigheden volgt naar het oordeel van de rechtbank
dat in het onderhavige geval sprake is van een met een ondubbelzinnige,
schriftelijke mededeling op één lijn te stellen uitlating van
verweerder, die niet is toe te rekenen aan onjuiste informatie van
eiser.
Dit betekent dat de motivering van verweerder waarom geen sprake is van
dringende redenen om van terugvordering af te zien, geen stand kan
houden."
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of vorengenoemd
oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.
De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend.
Evenals de rechtbank stelt de Raad vast dat tussen partijen niet in
geschil is dat door appellant onverschuldigd toeslag is betaald aan
gedaagde over de in het bestreden besluit vermelde periode van 1 juni
2000 tot en met 1 november 2001. Evenmin is de hoogte van het
terugvorderingsbedrag tussen partijen in geschil. De vraag die partijen
verdeeld houdt is of sprake is van een dringende reden om van de - sinds
de invoering van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering
sociale zekerheid per 1 augustus 1996 voor appellant de in principe
verplichte - terugvordering af te zien.
De Raad stelt voorop dat dringende redenen om met toepassing van artikel
20, vierde lid, van de TW van terugvordering af te zien blijkens - ook
op terugvordering op grond van de TW van toepassing zijnde - vaste
jurisprudentie, waarin onder andere wordt gewezen op de
wetsgeschiedenis, slechts gelegen zijn op in de onaanvaardbaarheid van
de gevolgen die een herziening en terugvordering voor de verzekerde
heeft.
Het gaat hier - zoals ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis - om
incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de
hand is, en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle
relevante omstandigheden.
De Raad vindt in het licht van het evenomschreven beoordelingskader in
de onderhavige zaak geen aanknopingspunten voor het oordeel dat sprake
is van dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde lid, van de
TW.
Zoals appellant ter zitting aangaf verdiende het handelen van het
uitvoeringsorgaan beslist niet de schoonheidsprijs, maar zoals de Raad
al eerder aangegeven heeft in zijn uitspraak van 21 maart 2001 (RSV
2001/174) kan de enkele omstandigheid dat appellant een fout gemaakt
heeft op zichzelf geen dringende reden opleveren. De fout van appellant
is de oorzaak van de terugvordering, en behoort niet tot de gevolgen die
een terugvordering voor een verzekerde heeft.
De rechtbank heeft het rechtzekerheidsbeginsel in het beoordelingskader
van het aanwezigheid van een dringende reden betrokken.
De Raad wijst erop dat hij reeds in zijn uitspraak van 21 maart 2001,
gepubliceerd in USZ 2001/140, heeft geoordeeld dat hij, mede gelet op
hetgeen blijkt uit de parlementaire geschiedenis, geen ruimte ziet voor
het aannemen van een dringende reden op de grond dat sprake is van
gewekte verwachtingen. De Raad is, zoals hiervoor al is aangegeven, van
oordeel dat het vaststellen van een dringende reden zijn eigen
beoordelingskader kent en in die zin los staat van de werking van de
algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Het kan niet zo zijn dat een
schending van bijvoorbeeld het vertrouwens- of rechtzekerheidsbeginsel
op zichzelf een dringende reden oplevert.
Eén en ander laat overigens onverlet dat een uitvoeringsorgaan bij het
onderzoek zélf naar het mogelijke bestaan van een dringende reden om af
te zien van een wettelijk verplichte terugvordering daarbij de algemene
beginselen van behoorlijk bestuur in acht dient te nemen.
Ten slotte is de Raad van oordeel dat in dit geval ook geen aanleiding
bestaat om een bijzonder geval aan te nemen, waarin strikte toepassing
van artikel 20, eerste lid, van de TW in strijd komt met het
rechtszekerheidsbeginsel. In verband met de door gedaagde gestelde
mondelinge contacten met appellant omtrent de juistheid van de
voortzetting van de toeslag ondanks de hoogte van gedaagdes verdiensten
is immers geen sprake geweest van een ondubbelzinnige, schriftelijke
toezegging van appellant, zoals de jurisprudentie ter zake vereist. De
raad ziet in het licht van die jurisprudentie ook geen aanleiding om,
anders dan de rechtbank, uitlatingen van de zijde van appellant bij die
contacten, wat daar overigens verder van zij, op een lijn te stellen met
een ondubbelzinnige, schriftelijke mededeling.
Het vorengemelde leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak voor
vernietiging in aanmerking komt en het inleidend beroep ongegrond moet
worden verklaard.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. J.W. Schuttel als leden, in tegenwoordigheid van drs. T.R.H. van
Roekel als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.R.H. van Roekel.
|
|