|
Uitspraak
02/6417 TW en 02/6418 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN DE GEDINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in deze gedingen
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen
(Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Bij besluit van 9 mei 2001 heeft gedaagde de hoogte van de aan appellant
per 15 mei 1999 toegekende toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW)
herzien en nader vastgesteld op een bedrag van f 5,79 per dag. Bij
besluit van 10 mei 2001 heeft gedaagde de aan appellant toegekende
toeslag ingevolge de TW met ingang van 1 januari 2000 ingetrokken.
Bij besluit van 21 december 2001 heeft gedaagde de door appellant tegen
de besluiten van 9 en 10 mei 2001 gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.
Bij besluit van 28 mei 2001 heeft gedaagde de over het tijdvak van 29
maart 1999, doch lees 15 mei 1999, tot en met 30 april 2001 teveel
betaalde toeslag ten bedrage van f 17.670,96 van appellant
teruggevorderd.
Bij besluit van 4 september 2001 heeft gedaagde het door appellant tegen
het besluit van 28 mei 2001 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 november 2002, nr. 02/97 TW, heeft de rechtbank
Leeuwarden het door appellant tegen het besluit van 21 december 2001
ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van eveneens 13 november 2002, nr. 01/872 TW, heeft de
rechtbank Leeuwarden het door appellant tegen het besluit van 4
september 2001 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Appellant heeft tegen die uitspraken hoger beroep ingesteld op door zijn
toenmalige gemachtigde mr. A.Z. van Braam, verbonden aan het Buro voor
Rechtshulp te Leeuwarden, bij gelijkluidende aanvullende beroepschriften
van 19 februari 2003 aangevoerde gronden.
Gedaagde heeft in beide zaken een verweerschrift ingediend, gedateerd 3
maart 2003.
Mr. J.J. Achterveld, werkzaam bij Rechtshulp Noord, Bureau Friesland,
heeft als opvolgend gemachtigde van appellant bij schrijven van 8
november 2004 een nader stuk in het geding gebracht. Bij schrijven van
31 januari 2005 heeft hij bericht dat hij noch appellant ter zitting zal
verschijnen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 8 februari 2005 bericht dat hij zich
ter zitting niet zal laten vertegenwoordigen.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad, gehouden op 18 februari 2005, waar partijen - zoals aangekondigd - niet zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Nadat aan het licht was gekomen dat de echtgenote van appellant
inkomsten uit arbeid had genoten, heeft gedaagde de aan appellant per 15
mei 1999 toegekende toeslag ingevolge de TW per die datum herzien en
nader vastgesteld op een bedrag van f 5,79 per dag en vervolgens per 1
januari 2000 ingetrokken. De teveel betaalde toeslag is teruggevorderd.
Appellant heeft in bezwaar tegen de herzienings-, intrekkings- en
terugvorderingsbesluiten aangevoerd dat hij en zijn echtgenote niet bij
elkaar gewoond hebben, dat sprake was van duurzaam gescheiden leven en
dat de inkomsten van zijn echtgenote dus buiten aanmerking moeten worden
gelaten.
Gedaagde heeft zijn standpunt gehandhaafd dat geen sprake was van
duurzaam gescheiden leven in de zin der wet, zodat het inkomen van de
echtgenote wel van invloed is op appellants recht op toeslag.
De rechtbank heeft het standpunt van gedaagde onderschreven.
Appellant heeft ook in hoger beroep aangevoerd dat hij in het in geding
zijnde tijdvak, evenals in de daaraan voorafgegane periode, duurzaam
gescheiden van zijn echtgenote leefde.
De Raad overweegt het volgende.
Indien appellant zou worden gevolgd in zijn stelling dat sprake is van
duurzaam gescheiden leven, zou hij als ongehuwde zonder kinderen voor
wie hij kinderbijslag ontvangt in het geheel geen recht hebben op
toeslag, omdat zijn WAZ-uitkering niet lager is dan 70% van het
minimumloon.
Appellant is met de bestreden besluiten derhalve in ieder geval niet te
kort gedaan.
Het hoger beroep treft mitsdien geen doel.
De aangevallen uitspraken komen bijgevolg voor bevestiging in
aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Aldus gegeven door mr. J. Janssen als voorzitter en mr. G.J.H.
Doornewaard en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid van J.E.
Meijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 april 2005.
(get.) J. Janssen.
(get.) J.E. Meijer.
|
|