|
Uitspraak
03/1752 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant tevens verstaan het Lisv
Appellant heeft op daartoe bij aanvullend beroepschrift aangegeven
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda
van 26 februari 2003, nr. 02/1594 TW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde heeft mr. drs. J.P. de Man, advocaat te Rosmalen, een
verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad van 19 januari 2005,
waar appellant zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. P.C.M.
Huijzer, werkzaam bij het Uwv, en waar namens gedaagde is verschenen mr.
drs. De Man voornoemd.
II. MOTIVERING
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de
hand van de Toeslagenwet (TW) en de Werkloosheidswet (WW) en de daarop
berustende bepalingen zoals deze luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
Aan gedaagde is, in aanvulling op haar uitkering krachtens de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) een toeslag op grond van de TW
toegekend. Bij besluit van 2 oktober 2001 heeft appellant gedaagde
bericht dat de uitkering ingevolge de TW per 22 februari 2001 wordt
ingetrokken, omdat gedaagde naast haar WAO-uitkering een uitkering
krachtens de WW ontving zodat ook de hoogte van die uitkering
medebepalend was voor het recht op toeslag. Bij hetzelfde besluit is
tevens het recht op toeslag per 1 oktober 2001 beëindigd.
Bij besluit van 21 november 2001 is gedaagde, naar aanleiding van haar
aanvraag van 26 oktober 2001 voor het ontvangen van een toeslag bericht
dat zij niet voor een uitkering ingevolge de TW in aanmerking komt omdat
haar inkomen hoger is dan het voor haar in het kader van de TW geldende
sociaal minimum. Tegen de besluiten van 2 oktober en 21 november 2001
heeft gedaagde geen rechtsmiddelen aangewend.
Bij besluit van 6 maart 2002 heeft appellant hetgeen ten gevolge van het
herzieningsbesluit van 2 oktober 2001 teveel aan toeslag was betaald
over de periode van 1 maart 2001 tot en met 30 september 2001, tot een
bedrag van € 2.252,69 teruggevorderd. Het tegen dit besluit namens
gedaagde ingediend bezwaar is door appellant bij besluit van 12 juli
2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard. Hierbij is
overwogen dat, nu de hiervoor genoemde besluiten tot herziening en tot
beëindiging van het recht op toeslag alsmede het besluit tot afwijzing
van de aanvraag in rechte vaststaan, appellant ingevolge artikel 20,
eerste lid, van de TW tot terugvordering verplicht is.
Namens gedaagde is tegen dit besluit beroep ingesteld. Daarbij is met
name aangevoerd dat haar op geen enkele wijze teveel toeslag is betaald.
De rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, met veroordeling van
appellant tot betaling van proceskosten en vergoeding van het betaalde
griffierecht. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat de besluiten
betreffende de herziening, beëindiging en afwijzing van het recht op
toeslag weliswaar in rechte onaantastbaar zijn geworden, maar dat op
grond van rechtspraak van deze Raad moet worden aangenomen dat niet
zonder meer van de rechtmatigheid van de desbetreffende besluiten
behoeft te worden uitgegaan indien hetgeen tegen het
terugvorderingsbesluit wordt aangevoerd een zodanig ander licht werpt op
de aan het terugvorderingsbesluit ten grondslag liggende besluiten dat
appellant dat terugvorderingsbesluit in redelijkheid niet op die
besluiten had mogen baseren. De rechtbank heeft vervolgens geoordeeld
dat laatstbedoelde situatie hier aan de orde is nu appellant op geen
enkele wijze een inzichtelijke berekening aan de besluiten tot
herziening en afwijzing ten grondslag heeft gelegd.
In hoger beroep heeft appellant erop gewezen dat de door de rechtbank
aangenomen regel met betrekking tot de toetsing van in rechte
onaantastbaar geworden besluiten niet in de jurisprudentie van de Raad
is terug te vinden en dat uitgaande van de juistheid van het besluit tot
herziening van de toeslag, moet worden vastgesteld dat appellant tot
terugvordering verplicht is. Bovendien stelt appellant - ten overvloede
-
dat de gedingstukken wel degelijk een duidelijke berekening bevatten op
basis waarvan met name de herziening tot stand is gekomen.
De Raad oordeelt als volgt.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW, zoals dat artikel sedert 1
augustus 1996 luidt, is appellant gehouden hetgeen op grond van een
herzieningsbesluit als dat van 2 oktober 2001 onverschuldigd is betaald,
terug te vorderen. In de lijn van zijn uitspraak van 18 november 2003 (LJN AN9715, ook gepubliceerd in onder andere AB 2004, 72) is de Raad
van oordeel dat, anders dan de rechtbank klaarblijkelijk heeft
aangenomen, nu het herzieningsbesluit in rechte onaantastbaar is
geworden, voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de herziening
geen plaats meer is. Daarmee staat in een situatie als deze de
gehoudenheid van appellant om tot terugvordering over te gaan vast. De
Raad is voorts van oordeel dat de thans aan de orde zijnde
terugvordering geheel in overeenstemming is met het besluit van 2
oktober 2001.
Dringende redenen om van terugvordering af te zien zijn gesteld noch
gebleken.
Het voorgaande betekent dat de aangevallen uitspraak voor vernietiging
in aanmerking komt en het inleidend beroep ongegrond moet worden
verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gewezen door mr. T. Hoogenboom, als voorzitter en mr. H.G. Rottier
en mr. J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van L. Karssenberg als
griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 maart 2005.
(get.) T. Hoogenboom.
(get.) L. Karssenberg.
|
|