|
Uitspraak
03/951 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Turkije), appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft M. Sevim, als attaché verbonden aan het
Consulaat-Generaal van de Republiek Turkije te Rotterdam, op daartoe bij
beroepschrift, met bijlagen, aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 januari 2003, nr.
AWB 02/2510 TW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 oktober 2004 heeft de Raad gedaagde een vraag
voorgelegd, waarop bij schrijven van 28 oktober 2004, met bijlagen, is
geantwoord.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 3 december 2004, waar
voor appellant is verschenen M. Sevim, voornoemd, bijgestaan door mw.
Gokalp als tolk, en waar gedaagde zich - met voorafgaand bericht - niet heeft doen vertegenwoordigen.
Na de behandeling ter zitting heeft de Raad het onderzoek heropend en de
zaak ter verdere behandeling verwezen naar een meervoudige kamer.
Desgevraagd hebben partijen schriftelijk toestemming verleend het
onderzoek ter nadere zitting achterwege te laten.
II. MOTIVERING
Bij brief van 25 januari 2002 heeft gedaagde, onder verwijzing naar een
besluit van 28 november 2000, appellant geïnformeerd over de stand van
zaken met betrekking tot de afbouw van zijn toeslag ingevolge de
Toeslagenwet (TW) op grond van de Wet Beperking export uitkeringen. In
de bij de brief behorende bijlage is een specificatie gegeven van de
tweede fase van de afbouwregeling per 1 januari 2002. Per die datum
bedraagt de toeslag nog 1/3 van de oorspronkelijke toeslag van €
361,82, te weten € 120,61.
Namens appellant is bij schrijven van 12 april 2002 tegen gedaagdes
brief van 25 januari 2002 bezwaar gemaakt. Bij beslissing op bezwaar van
22 april 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft gedaagde appellants
bezwaar niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat de brief van 25
januari 2002 niet kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van
artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de zienswijze van
gedaagde onderschreven en het tegen het bestreden besluit ingestelde
beroep ongegrond verklaard.
In hoger beroep zijn namens appellant inhoudelijke grieven aangevoerd
tegen de afbouw van de toeslag ingevolge de TW en is het oordeel van de
rechtbank, dat gedaagdes brief van 25 januari 2002 geen besluit is,
aangevochten.
De Raad overweegt als volgt.
Bij de in rubriek I vermelde brief van 28 oktober 2004 heeft gedaagde de
Raad meegedeeld dat als gevolg van ’s Raads uitspraak van 14 maart
2003 (gepubliceerd in - onder meer - RSV 2003/114 en USZ 2003/147)
de afbouw van de toeslag van in Turkije woonachtige
uitkeringsgerechtigden (waaronder ook die van appellant) met
terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2001 (datum afbouw) is gecorrigeerd
en aan hen is nabetaald. Dit gewijzigde standpunt heeft gedaagde
neergelegd in een nieuw besluit van 18 augustus 2003.
De Raad stelt vast dat gedaagde, gelet op even vermelde brief van 28
oktober 2004 en het bijgevoegde besluit van 18 augustus 2003, volledig
tegemoet is gekomen aan de grieven van appellant voorzover betrekking
hebbend op de hier in geding zijnde tweede fase van de afbouwregeling,
welke de periode van 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 beslaat.
Dit betekent dat appellant niet langer belang heeft bij handhaving van
het hoger beroep, zodat het niet-ontvankelijk verklaard dient te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten, aangezien van
voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde recht van € 111,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 april 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|