|
Uitspraak
03/2873 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op daartoe
bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 17 april 2003, nr. TW
02/2014, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 april 2005, waar
appellant niet is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen
vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Bij besluit van 8 februari 2002 heeft gedaagde aan appellant per 18
september 2001 een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW) toegekend
ten bedrage van € 14,84 per dag.
In bezwaar is namens appellant aangevoerd dat de uitkering eerder dan 18
september 2001, namelijk per 11 juli 1999, de datum dat hem een
uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO)
is toegekend, dient in te gaan, omdat die WAO-uitkering onder het
sociaal minimum lag.
Bij besluit van 27 juni 2002 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde het besluit van 8 februari 2002 gehandhaafd en appellants
bezwaren tegen dat besluit ongegrond verklaard. Gedaagde heeft daarbij
aangegeven, onder verwijzing naar de artikelen 2 en 3 van de TW, dat
recht op toeslag bestaat voor de gehuwde wiens echtgenoot geboren is na
31 december 1971 en tot wiens huishouden een eigen kind behoort dat
jonger is dan 12 jaar. Nu appellants echtgenote geboren is na 31 december 1971 (namelijk op 5 juni 1978) en sinds 18 september 2001
een kind jonger dan 12 jaar tot zijn huishouden behoort, komt appellant
eerst sinds laatstgenoemde datum in aanmerking voor het recht op
toeslag.
De rechtbank heeft de opvatting van gedaagde onderschreven en het beroep
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe
overwogen dat, gelet op het bepaalde in artikelen 2 en 3 van de TW,
appellant eerst na de geboorte van het eigen kind op 18 september 2001
in aanmerking kan komen voor een toeslag.
Namens appellant is in hoger beroep het standpunt herhaald dat appellant
per 11 juli 1999 recht heeft op een uitkering ingevolge de TW.
Met de rechtbank en gedaagde is de Raad van oordeel dat, gelet op de
hier aan de orde zijnde wettelijke bepalingen, appellant - die geboren
is op 21 mei 1971 en gehuwd is op 18 augustus 1999 - niet eerder dan 18
september 2001, de geboortedatum van zijn kind, in aanmerking kan komen
voor een toeslag ingevolge de TW.
Het hoger beroep kan dan ook niet slagen en de aangevallen uitspraak
komt derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter, en mr. M.M. van
der Kade en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van C.D.A. Bos
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) C.D.A. Bos.
|
|