|
Uitspraak
03/1194 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemers verzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde mede verstaan het Lisv, dan wel
de rechtsvoorganger, zijnde in dit geval het bestuur van de
Bedrijfsvereniging voor de Metaalnijverheid.
Namens appellant heeft mr. A.C.J. Lina, advocaat te Venlo, op daartoe
bij beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de
uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 27 januari 2003, nr.
AWB 01/3143, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 27 mei 2005, waar
appellant - met kennisgeving - niet is verschenen en waar gedaagde zich
heeft doen vertegenwoordigen door mr. M.W. Tak-de Heer, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Gedaagde heeft met ingang van 1 oktober 1976 aan appellant een uitkering
ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) toegekend, welke
uitkering met ingang van 1 januari 1998 is omgezet in een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
Verder heeft gedaagde met ingang van 1 januari 1987 een toeslag
ingevolge de Toeslagenwet (TW) aan appellant toegekend.
Op een door gedaagde in januari 2000 aan appellant gezonden formulier
heeft appellant medegedeeld dat zijn echtgenote in 1999 werkzaam is
geweest bij [werkgever 1]. Vervolgens is gebleken dat de echtgenote van
appellant vanaf 21 september 1998 tot en met 2 december 1998 werkzaam is
geweest via [werkgever 2] en dat zij vanaf 1 januari 1999 werkzaam is
geweest bij [werkgever 3]. Verder heeft appellant in juli 2000
telefonisch aan gedaagde medegedeeld dat zijn echtgenote inmiddels 37
uur per week werkzaam was. Gedaagde heeft daarop de betaling van de
toeslag per 1 juli 2000 opgeschort.
Bij besluit van 21 augustus 2000 heeft gedaagde aan appellant
medegedeeld dat hij vanaf 1 januari 1999 geen recht meer heeft op een
toeslag ingevolge de TW op zijn WAZ-uitkering in verband met de
inkomsten van zijn echtgenote. Bij besluit van dezelfde datum heeft
gedaagde de onverschuldigd betaalde toeslag over het tijdvak van 1
januari 1999 tot 1 juli 2000 ad f 14.045,61 van appellant
teruggevorderd.
Vervolgens heeft gedaagde bij besluit van 12 september 2000 aan
appellant medegedeeld dat hij over het tijdvak vanaf 21 september 1998
tot 1 november 1998 geen recht meer heeft op een toeslag ingevolge de TW
op zijn WAZ-uitkering in verband met de inkomsten van zijn echtgenote en
dat de toeslag over de maand november 1998 is herzien en nader
vastgesteld op een lager bedrag. Bij besluit van dezelfde datum heeft
gedaagde de onverschuldigd betaalde toeslag over het tijdvak van 21
september 1998 tot 1 december 1998 ad f 1.670,91 van appellant
teruggevorderd. Ten slotte heeft gedaagde bij besluit van 4 oktober 2000
bepaald dat het ingevolge de besluiten van 21 augustus en 12 september
2000 terug te betalen bedrag in twaalf maandelijkse termijnen zal worden
verrekend met de WAZ-uitkering van appellant.
Bij besluit van 12 november 2001 (hierna: het bestreden besluit) heeft
gedaagde de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 21 augustus,
12 september en 4 oktober 2000 ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen
dat de inkomsten van appellant en zijn echtgenote gedurende voornoemde
tijdvakken meer bedroegen dan het minimumloon, zodat geen recht bestond
op (de volledige) toeslag. Verder heeft gedaagde overwogen dat de
onverschuldigd betaalde toeslag teruggevorderd dient te worden, dat bij
de invordering rekening is gehouden met de beslagvrije voet en dat de
vordering inmiddels door appellant is voldaan. De rechtbank heeft dit
standpunt in de aangevallen uitspraak onderschreven.
Namens appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de toeslag ten
onrechte met terugwerkende kracht is ingetrokken. Daarbij heeft hij erop
gewezen dat hij steeds alle gevraagde informatie aan gedaagde heeft
verstrekt en dat het hem niet verweten kan worden dat onverschuldigd
toeslag is verstrekt over de in geschil zijnde tijdvakken.
De Raad is niet tot een ander standpunt kunnen komen dan de rechtbank en
stelt zich achter de in de aangevallen uitspraak gebezigde overwegingen.
Naar aanleiding van het in hoger beroep aangevoerde merkt de Raad nog
het volgende op.
Op grond van artikel 12 van de TW is appellant verplicht gedaagde
onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mede te
delen waarvan hem duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op
het recht op of de hoogte van de toeslag. Appellant heeft deze
verplichting niet nageleefd, nu hij de werkzaamheden van zijn echtgenote
in 1998 en vanaf 1 januari 1999 niet onverwijld, maar eerst in 2000 aan
gedaagde heeft gemeld op het toen aan hem toegezonden
inlichtingenformulier. Daarbij merkt de Raad op dat het appellant
duidelijk had kunnen en moeten zijn dat de inkomsten van zijn echtgenote
van belang waren voor de aanspraak op toeslag, reeds omdat in het
besluit waarbij een toeslag is toegekend is aangegeven dat de toeslag
afhankelijk is van de inkomsten van appellant en zijn echtgenote en op
alle aan appellant toegezonden inlichtingformulieren expliciet is
gevraagd naar eventuele inkomsten van zijn echtgenote.
Gedaagde heeft derhalve, gelet op artikel 11a van de TW en de door hem
hierbij gehanteerde gedragslijn, terecht besloten de toeslag met
terugwerkende kracht in te trekken dan wel te herzien over de in geschil
zijnde tijdvakken. Verder was gedaagde op grond van artikel 20 van de TW
gehouden de onverschuldigd betaalde toeslag terug te vorderen.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet kan slagen en dat de
aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht. Beslist wordt mitsdien als
volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M. Gunter.
|
|