|
Uitspraak
03/5100 TW en 03/5994 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft R.A.M. van der Velden, belastingadviseur te
Schipluiden, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
Rotterdam van 3 oktober 2003, nummer TW 02/3262 NIFT, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Bij brief van 2 december 2003 heeft gedaagde een besluit van diezelfde
datum ter kennis van de Raad gebracht.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de
Raad op 28 juni 2005, waar partijen, zoals tevoren was bericht, niet
zijn verschenen.
II. MOTIVERING
Feiten
Met ingang van 26 februari 1993 heeft appellante een uitkering ingevolge
de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet, later omgezet in een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen,
ontvangen.
In november 2000 heeft appellante een toeslag ingevolge de Toeslagenwet
(TW) aangevraagd. Op het aanvraagformulier heeft appellante aangegeven
dat zij vanaf 28 oktober 2000, c.q. vanaf 1 januari 2000 toeslag
aanvroeg. Als reden voor het aanvragen van de toeslag gaf zij op dat
inkomsten waren weggevallen. Tevens is op het formulier aangetekend dat
het bedrijfsresultaat van 1 januari 2000 tot en met 28 oktober 2000
negatief was. De echtgenoot van appellante heeft op 25 januari 2001
telefonisch medegedeeld dat appellante en hij vanaf dat moment geen
andere inkomsten hadden.
Bij besluit van 26 januari 2001 heeft gedaagde appellante met ingang van
28 oktober 2000 een toeslag ingevolge de TW toegekend.
Tegen dit besluit heeft appellante geen bezwaar gemaakt.
Op 22 juli 2002 heeft appellante onder inzending van de betreffende
jaarstukken verzocht vanaf 1 januari 1996 tot 28 oktober 2000 alsnog een
toeslag ingevolge de TW toe te kennen.
Bij besluit van 1 augustus 2002 heeft gedaagde met toepassing van
artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet en onder verwijzing naar
evenvermelde toekenning geweigerd appellante in aanmerking te brengen
voor een toeslag die op een eerdere datum dan 28 oktober 2000 ingaat.
In bezwaar heeft de gemachtigde van appellante onder meer aangevoerd dat
gedaagde wat betreft de voorlichting tekort is geschoten.
Bij besluit van 18 november 2002, verder: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard.
In de aangevallen uitspraak, waarin appellante "eiseres" en
gedaagde "verweerder" wordt genoemd, is onder meer het
volgende overwogen:
"In artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet is bepaald dat het
recht op toeslag niet kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor
ιιn jaar voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag om toeslag werd
ingediend. Verweerder is bevoegd in bijzondere gevallen af te wijken van
het bepaalde in de vorige volzin.
Het recht op toeslag ontstaat van rechtswege doordat wordt voldaan aan
de voorwaarden die de wet stelt voor het ontstaan van dat recht.
Betrokkene kan zijn uitkering nog niet opeisen. Dat kan pas zodra het
bestaan van dat recht door verweerder is vastgesteld. Door deze
vaststelling ontstaat voor betrokkene een vorderingsrecht en voor
verweerder een betalingsverplichting.
De termijn in artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet is
vastgesteld op een jaar omdat het voor de juiste uitvoering van de
Toeslagenwet noodzakelijk is dat het onderzoek naar en de controle op
het (voort)bestaan van het recht op toeslag kan plaatsvinden, zo spoedig
mogelijk nadat het recht op toeslag is ontstaan.
(...)
Nu eiseres op 22 juli 2002 een aanvraag voor een toeslag heeft ingediend
kan ingevolge artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet het recht op
toeslag niet worden vastgesteld over perioden gelegen verder dan ιιn
jaar voorafgaande aan deze dag; eiseres kan derhalve vanaf 22 juli 2001
een toeslag ontvangen. Indien er echter sprake is van een bijzonder
geval kan verweerder afwijken van de gestelde termijn van ιιn jaar. De
wetgever heeft verweerder een ruime beoordelingsvrijheid toegekend om te
bezien of het hier gaat om een bijzonder geval. De rechtbank zal deze
beoordeling van verweerder dan ook marginaal toetsen.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij de aanvraag voor een toeslag vσσr 28
oktober 2000 niet eerder heeft ingediend omdat zij niet op de hoogte was
van het feit dat een toeslag slechts met ιιn jaar terugwerkende kracht
kan worden toegekend. Verweerder had haar hiervan niet op de hoogte
gesteld. De rechtbank overweegt dat enkel die omstandigheid naar haar
oordeel onvoldoende basis biedt om een bijzonder geval als bedoeld in
artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet aanwezig te achten.
Verweerder heeft dan ook in redelijkheid tot de beslissing kunnen komen
dat hier geen sprake was van een bijzonder geval.
Nu er geen sprake is van een bijzonder geval en eiseres reeds vanaf 28 oktober 2000 een toeslag ontvangt, heeft verweerder terecht besloten
om het bezwaar van eiseres ongegrond te verklaren."
In hoger beroep heeft appellante haar grieven doen herhalen.
Bij besluit van 2 december 2003 heeft gedaagde besloten het bezwaar
alsnog gegrond te verklaren en, het besluit van 1 augustus 2002
herroepend, appellante over de periode van 1 januari 2000 tot 28 oktober
2000 alsnog voor een toeslag in aanmerking te brengen.
Daartoe is in dat besluit het volgende overwogen:
"De reden van deze wijziging is dat u op de aanvraag voor toeslag
van eind 2000 heeft aangegeven dat u vanaf 28 oktober 2000 c.q. 1
januari 2000 toeslag aanvraagt. U gaf hierbij aan dat het
bedrijfsresultaat over de periode 1 januari 2000 tot 28 oktober 2000 negatief was. Wij hebben toeslag
toegekend per 28 oktober 2000. Daarbij zijn wij voorbijgegaan aan het
negatieve bedrijfsresultaat over de periode 1 januari 2000 tot 28
oktober 2000 waarvan u wel melding maakte.
Medio 2002 heeft u een nieuwe aanvraag voor toeslag ingediend. Hierin
verzocht u ons om over de jaren 1996 t/m 2000 alsnog in aanmerking te
komen voor een toeslag. Voor het jaar 2000 is ten onrechte aangegeven
dat u bij de eerste aanvraag duidelijk had aangegeven dat u vanaf 28
oktober 2000 in aanmerking wenste te komen voor een toeslag.
Wij zullen u daarom over de periode 1 januari 2000 tot 28 oktober 2000
alsnog in aanmerking brengen voor een toeslag.
Ten overvloede merken wij op dat wij onze beslissing op bezwaar van 18
november 2002 wel handhaven voor wat betreft de weigering om toeslag te
verstrekken over de jaren 1996, 1997, 1998 en 1999."
Oordeel van de Raad
De Raad ziet zich in de eerste plaats gesteld voor de beantwoording van
de vraag of het beroep van appellante ingevolge de artikelen 6:19,
eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geacht moet
worden mede te zijn gericht tegen het besluit van 2 december 2003.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend, nu het besluit van 2
december 2003 naar grondslag en reikwijdte strekt tot wijziging of
intrekking van het bestreden besluit en het eerstgenoemde besluit niet
geheel aan het beroep tegemoet komt. Namens appellant is bij
beroepschrift immers primair toeslag vanaf 1996 tot 28 oktober 2000
gevorderd en bij besluit van 2 december 2003 wordt slechts vanaf 1
januari 2000 tot 28 oktober 2000 toeslag toegekend.
Bij het besluit van 2 december 2003 heeft gedaagde te kennen gegeven het
in het bestreden besluit ingenomen standpunt dat appellante voor 28
oktober 2000 geen toeslag kan worden toegekend, niet langer te
handhaven. Hierdoor kan het bestreden besluit geacht worden te zijn
ingetrokken. Uit 's Raads uitspraak van 4 februari 1997, gepubliceerd in
RSV 1997/297, volgt dat in zo'n geval belang bij een beoordeling van dat
besluit in principe is komen te vervallen, tenzij van zo'n belang
blijkt, bijvoorbeeld omdat verzocht is om het toekennen van een
schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb.
In dit geval heeft de gemachtigde aan het slot van zijn beroepschrift
aan de Raad een dergelijk verzoek gedaan, zodat het procesbelang niet is
komen te vervallen.
Nu gedaagde het bestreden besluit heeft ingetrokken ziet de Raad
aanleiding de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit te
vernietigen. Er is geen aanleiding om gedaagde opdracht te geven een
nieuw besluit op bezwaar te nemen, omdat gedaagde dit al heeft gedaan
met het besluit van 2 december 2003.
Komende tot een beoordeling van het beroep tegen het besluit van 2
december 2003 ziet de Raad evenals de rechtbank geen enkele grond om in
het onderhavige geval een bijzonder geval als bedoeld in het zevende lid
van artikel 11 van de Toeslagenwet aanwezig te achten. De enkele
omstandigheid dat appellante - en blijkbaar ook haar gemachtigde - niet
van het bestaan van dit voorschrift op de hoogte waren, vormt blijkens
vaste jurisprudentie in het algemeen onvoldoende grond voor een
dergelijk oordeel.
In het bijzonder ten aanzien van het onderhavige geval merkt de Raad op
dat op het formulier waarop appellante voor de eerste maal in november
2000 een toeslag aanvroeg, als vraag 1c wordt gesteld: "Indien de
onder 1a opgegeven datum langer dan een jaar geleden is: waarom vraagt u
pas nu toeslag aan?"
Hieruit had appellante (en haar gemachtigde) al in november 2000 kunnen
afleiden dat het toekennen van toeslag over een tijdvak langer dan een
jaar voor de datum van de aanvraag in beginsel mogelijk is.
Voorts overweegt de Raad dat appellante naar aanleiding van het besluit
van 26 januari 2001 waarbij haar met ingang van 28 oktober 2000 een
toeslag werd toegekend minst genomen zelf bij gedaagde had kunnen
informeren dan wel tegen dat besluit bezwaar had kunnen maken.
Nu naar het oordeel van de Raad met betrekking tot de onderhavige
aanvraag geen bijzonder geval aanwezig is, was gedaagde op grond van het
bepaalde in artikel 11, zevende lid, van de TW niet bevoegd om een recht
op toeslag over enig tijdvak voor 22 juli 2001 vast te stellen. Door
alsnog onbevoegd en onverplicht toeslag toe te kennen over het tijdvak
van 1 januari 2000 tot 28 oktober 2000 naar aanleiding van de aanvraag
van 22 juli 2002 zijn appellantes aanspraken zeker niet onderschat.
Uit het vorenstaande volgt dat het besluit van 2 december 2003, nu dit
in strijd
met artikel 11, zevende lid, van de TW is genomen niet in stand kan
worden gelaten.
Nu rechtens onjuist zou zijn als appellante door het hoger beroep in een
ongunstiger positie zou worden gebracht dan het geval zou zijn geweest
indien gedaagde zonder lopende beroepszaak deze uitkering alsnog zou
hebben verleend, ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel
8:72, derde lid van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het
vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Bij wijze van schadevergoeding is op de voet van artikel 8:73 van de Awb
wettelijke rente gevorderd.
In de lijn van zijn rechtspraak met betrekking tot aanspraak op
wettelijke rente als schadevergoeding ingevolge artikel 8:73 van de Awb
in het geval van toekenningsbesluiten overweegt de Raad dat de
vergoeding van die rente wordt beperkt tot het tijdvak dat aanvangt op
de eerste dag van de maand volgende op de maand waarin de datum van het
eerste onrechtmatig gebleken toekenningsbesluit met betrekking tot het
onderhavige verzoek is gelegen - in dit geval is die datum: 1 september
2002 - en eindigt op de dag waarop de achterstallige uitkering alsnog
geheel is nabetaald. Daarbij geldt dat telkens na afloop van een jaar
het bedrag waarover de wettelijke rente wordt berekend, dient te worden
vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde rente.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb
gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante in bezwaar, in
beroep en in hoger beroep.
Deze kosten worden begroot op 322,- voor verleende rechtsbijstand in
bezwaar, 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en op
322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal
966,-.
Beslist wordt als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond en vernietigt
dat besluit;
Verklaart het beroep voor zover dit geacht moet worden mede te zijn
gericht tegen het besluit van 2 december 2003 gegrond en vernietigt dat
besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 2 december
2003 geheel in stand blijven;
Veroordeelt gedaagde tot vergoeding van schade als hiervoor is
aangegeven;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante in bezwaar, in
eerste aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot 966,-, te
betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellante het betaalde griffierecht van 116,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. J.W. Schuttel
en mr. C.W.J. Schoor als leden, in tegenwoordigheid van mr. J.E.M.J.
Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 20 september
2005.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|