|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/1919 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te Rotterdam, appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, op bij
(aanvullend) beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 maart 2004, nr. TW
03/2701, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 5 augustus 2005, waar
appellant met voorafgaand bericht niet is verschenen en waar gedaagde is
verschenen bij G.J. Samsom, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellant is aangeduid als eiser en
gedaagde als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
Bij besluit van 5 augustus 1997 is eiser met ingang van 21 januari
1996 een uitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet
(hierna: AAW) toegekend.
Eiser heeft verweerder op 21 augustus 1997 en 11 september 1997 verzocht
om een toeslag op zijn AAW-uitkering. In de aanvraag van 21 augustus
1997 heeft eiser aangegeven samen te wonen met [partner], geboren 3
november 1970. In de aanvraag van 11 september 1997 heeft eiser
medegedeeld samen te wonen, maar dat zijn echtgenote, geboren op 3
november 1970, in Marokko woonachtig is.
Bij besluit van 9 december 1997 heeft verweerder eiser medegedeeld dat
eiser tegenstrijdige mededelingen heeft gedaan over zijn leefvorm en
burgerlijke staat. Eiser heeft:
- verschillende huwelijksdata opgegeven;
- op de aanvraag van de AAW-uitkering verklaard ongehuwd te zijn;
- op de loonbelastingverklaring van 13 februari 1997 verklaard ongehuwd
te zijn;
- tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts op 13 juni 1997
medegedeeld ongehuwd te zijn;
- een huwelijksverklaring overgelegd waarop tegenstrijdige huwelijksdata
zijn vermeld;
- op het verzoek van verweerder een originele huwelijksakte over te
leggen een kopie van een scheidingsakte gedateerd 1 november 1997
overlegd. Blijkens deze scheidingsakte zijn op 1 november 1997 eiser en
[naam partner], geboren op 3 november 1970, gescheiden.
Verweerder heeft daarbij vastgesteld dat eiser bij de afdeling Bevolking
van de gemeente Rotterdam staat geregistreerd als ongehuwd en nimmer
duurzaam met zijn partner heeft samengewoond. Gelet hierop heeft
verweerder eiser beschouwd als ongehuwd alleenstaand. Omdat het bruto
inkomen van eiser niet lager is dan het sociaal minimum voor een
alleenstaande is geen toeslag ingevolge de TW toegekend. Eiser heeft
tegen dit besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in
rechte vaststaat.
Op het inlichtingenformulier AAW/WAO en TW van 16 februari 1998 heeft
eiser aangegeven nog steeds ongehuwd alleenstaand te zijn. Op het
inlichtingenformulier WAO, Wajong en TW van 22 februari 1999 heeft eiser
wederom aangegven dat hij ongehuwd alleenstaand is.
Eiser is op 7 februari 2000 gehuwd met [naam partner 2], geboren op 1
maart 1981.
Op 16 juni 2000 heeft eiser verweerder verzocht om hem met terugwerkende
kracht vanaf 22 februari 1997 een toeslag ingevolge de TW toe te kennen.
Eiser heeft op dit aanvraagformulier aangegeven dat hij gehuwd is met
[naam partner 2] en een inwonend kind heeft dat geboren is op 16
december 1993.
Bij brief van 25 juli 2000 heeft verweerder eiser bericht dat hij vanaf
22 februari 1997 geen toeslag op basis van de TW kan ontvangen, indien
hij niet heeft samengewoond met zijn partner. Verweerder heeft eiser
verzocht:
- aan te geven wanneer hij wettig gehuwd is, omdat hij
mogelijk vanaf die datum recht heeft op een toeslag;
- een verklaring over te leggen dat hij vanaf 22 februari
1997 heeft samengewoond met zijn partner;
- de vraag te beantwoorden of het kind, geboren op 16
december 1993, tot zijn huishouden behoort;
- de vraag te beantwoorden of eiser kinderbijslag voor dit
kind ontvangt.
Bij brief van 13 september 2000 heeft verweerder eiser nogmaals verzocht
de in de brief van 25 juli 2000 gestelde vragen te beantwoorden.
Bij brief van 14 september 2000 heeft eiser een vertaling van een
huwelijksakte van 17 februari 2000 en een vertaalde getuigenverklaring
van 22 februari 2000 overgelegd.
Verweerder heeft bij besluit van 9 oktober 2000 bepaald dat eiser met
ingang van 7 februari 2000 een TW-uitkering wordt toegekend omdat zijn
inkomen onder het minimumloon ligt en eiser vanaf die datum kan worden
aangemerkt als gehuwd, terwijl zijn partner geboren is op of na 1
januari 1972 en tot zijn huishouden een eigen kind, aangehuwd kind of
pleegkind behoort dat jonger is dan 12 jaar. Eiser heeft tegen dit
besluit geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dit besluit in rechte
vaststaat.
Op 4 januari 2003 heeft eiser met terugwerkende kracht over de periode
van 1996 tot en met 1999 een toeslag op grond van de TW aangevraagd.
Eiser heeft op dit aanvraagformulier vermeld dat hij in de periode van
1996 tot en met 1999 heeft samengewoond en een inwonend kind heeft dat
jonger is dan 12 jaar. Eiser heeft daarbij aangegeven dat zijn partner
[naam partner 3] heet en geboren is op 4 december 1978.
Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek om een uitkering
op grond van de TW over de periode 1996 tot en met 1999 onder verwijzing
naar de brieven van 25 juli 2000 en 13 september 2000 en het besluit van
9 oktober 2000 afgewezen. Tegen dit primaire besluit heeft eiser bezwaar
gemaakt.
Tijdens de hoorzitting is door de gemachtigde van eiser aangevoerd dat
eiser in 1997 heeft samengewoond met zijn toenmalige partner, die
illegaal in Nederland verbleef. De gemachtigde van eiser heeft voorts
gesteld dat het kind van de zus van eiser en de beide broertjes van
eiser genaamd Morat en Adelrazak, in 1997 bij eiser in huis woonden.
[naam partner 3], die op de aanvraag van 4 januari 2003 staat vermeld
als partner van eiser, is volgens de gemachtigde van eiser, een broer
van eiser. De gemachtigde van eiser heeft medegedeeld dat deze feiten
destijds al bekend waren en medegedeeld konden worden, maar dat eiser
niet wist dat deze feiten van belang waren voor de beoordeling van het
recht op toeslag.
In het bestreden besluit heeft verweerder verwezen naar het bepaalde in
artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Verweerder
merkt dienaangaande op dat eiser op 4 januari 2003 met terugwerkende
kracht een toeslag op grond van de TW heeft aangevraagd over de periode
waarover reeds bij besluit van 9 december 1997 is beslist. Eiser heeft
als nieuwe feiten naar voren gebracht dat, ten tijde van de aanvraag van
21 augustus 1997, het kind van zijn zus en zijn twee broertjes bij eiser
inwoonden. Verweerder is van mening dat deze feiten niet als nieuwe
feiten kunnen worden bestempeld. De feiten waren ten tijde van de
aanvraag in 1997 al bekend, zodat eiser deze feiten op dat moment had
kunnen meedelen, aldus verweerder. Dat eiser niet wist dat deze feiten
konden meewegen bij de beoordeling van de toeslag doet hieraan niet af.
Ten overvloede merkt verweerder op dat de in 1997 gedane mededelingen
van eiser over zijn leefvorm de huidige beweringen niet ondersteunen.
Verweerder heeft het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
In beroep voert eiser aan dat hij met terugwerkende kracht over de jaren
1996 tot en met 1999 recht heeft op een toeslag ingevolge de TW. Volgens
eiser lag in die periode zijn (Wajong-)uitkering onder het sociaal
minimum doordat hij samenwoonde en een minderjarig kind tot zijn
huishouden behoorde. Eiser stelt dat verweerder ten onrechte aan het
door hem gestelde voorbij is gegaan.
De rechtbank heeft vervolgens als volgt geoordeeld:
Verweerder heeft bij het bestreden besluit met een beroep op het
bepaalde in artikel 4:6 van de Awb geweigerd eiser over de gevraagde
periode in aanmerking te brengen voor een toeslag ingevolge de TW.
Overeenkomstig hetgeen voor herhaalde aanvragen is bepaald in artikel
4:6 van de Awb, mag van degene die een bestuursorgaan verzoekt van een
eerder genomen besluit terug te komen worden verlangd dat bij dit
verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden
vermeld die zulk een terugkomen kunnen rechtvaardigen. Wanneer geen
nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, kan
het bestuursorgaan het verzoek zonder nader onderzoek afwijzen onder
verwijzing van het eerdere besluit.
De rechtbank stelt vast dat eiser geen nieuwe feiten heeft gesteld die
zich hebben voorgedaan na de aanvraag van 21 augustus 1997. Eiser heeft
daarentegen als nieuw feit gesteld dat hij in 1997 heeft samengewoond
met zijn toenmalige partner. De gemachtigde van eiser heeft voorts
gesteld dat het kind van de zus van eiser en de beide broertjes van
eiser, genaamd Morat en Adelrazak, in 1997 bij eiser in huis woonden.
Eiser heeft de door hem gestelde feiten niet nader onderbouwd met
stukken.
Met verweerder is de rechtbank van oordeel dat dit geen nieuw gebleken
feiten of veranderde omstandigheden in vorenbedoelde zin betreffen.
Immers, deze feiten waren bij eiser reeds bekend ten tijde van de
aanvraag van 21 augustus 1997. Gelet op de vragen op het aanvraag
formulier TW wist eiser bovendien dat deze feiten van belang waren voor
de beoordeling van de hoogte van de toeslag ingevolge de TW. Eiser had
derhalve deze feiten reeds kenbaar kunnen maken bij de aanvraag van 21
augustus 1997. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser de door hem
gestelde feiten niet heeft onderbouwd met stukken, zodat niet kan worden
geconcludeerd dat zijn leefsituatie in 1997 wezenlijk anders was dan
verweerder heeft aangenomen. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet
gesproken worden van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.
Verweerder was dan ook bevoegd om met overeenkomstige toepassing van
artikel 4:6, tweede lid, van de Awb het verzoek af te wijzen en voor de
motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het
besluit van 9 december 1997. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet
worden gezegd dat verweerder niet in redelijkheid van die bevoegdheid
gebruik heeft kunnen maken dan wel daarbij anderszins heeft gehandeld in
strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of met een
algemeen rechtsbeginsel, te meer niet daar eisers gemachtigde ter
zitting heeft verklaard, dat er inderdaad geen sprake is van nieuwe
feiten en omstandigheden. Dat er sprake is van een onjuiste beslissing
volgens eiser is wel gesteld maar niet aannemelijk gemaakt of
aangetoond.
De Raad kan zich geheel vinden in het oordeel van de rechtbank en maakt
de daartoe gebezigde overwegingen tot de zijne. Hetgeen namens appellant
in hoger beroep is aangevoerd bevat, vergeleken met de grieven in eerste
aanleg, geen nieuwe elementen en heeft de Raad dan ook niet tot een
ander oordeel kunnen brengen.
Het hoger beroep is dan ook vergeefs ingesteld.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Daarom dient als volgt te worden beslist.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. H.J. Simon in tegenwoordigheid van M. Gunter als
griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2005.
(get.) H.J. Simon.
(get.) M. Gunter.
|
|