|
Uitspraak
03/5608 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 1 november 2002 heeft gedaagde aan appellant meegedeeld
dat de beslagvrije voet van diens inkomen op nihil wordt vastgesteld en
bepaald dat het aan appellant onverschuldigd betaalde bedrag aan toeslag
ingevolge de Toeslagenwet (TW) van € 3.663,86 in termijnen met de
lopende uitkering(en) van appellant zal worden verrekend.
Bij besluit van 11 maart 2003, hierna: het bestreden besluit, heeft
gedaagde het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2002 ongegrond
verklaard.
De rechtbank Roermond heeft bij uitspraak van 7 oktober 2003, nummer
03/451 TW, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
Namens appellant heeft mr. J.T.R. Lucassen, advocaat te Blerick, tegen
die uitspraak hoger beroep ingesteld.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 31 augustus 2005,
waar voor appellant is verschenen mr. R.A.N.H. Verkoeijen, kantoorgenoot
van mr. Lucassen voornoemd, en waar namens gedaagde is verschenen J.
Huijs, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
De Raad neemt in dit geding als vaststaande aan de feiten die ook de
rechtbank in rubriek II van de aangevallen uitspraak als vaststaande
heeft aangenomen.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak aangaande de vraag of het
bestreden besluit in rechte stand kan houden het navolgende overwogen:
“In artikel 20, vijfde lid, TW is bepaald dat het besluit tot
terugvordering de termijn of termijnen vermeldt waarbinnen moet worden
betaald. Ingevolge artikel 20, zesde lid, TW is degene van wie uitkering
wordt teruggevorderd verplicht desgevraagd aan verweerder de
inlichtingen te verstrekken die voor de terugvordering van belang zijn.
Voorts is in artikel 20a, tweede lid, TW in verbinding met artikel 14g,
achtste lid, TW bepaald dat de ten uitvoerlegging van de terugvordering
zodanig geschiedt dat degene die aanspraak maakt op een toeslag blijft
beschikken over een inkomen gelijk aan de beslagvrije voet bedoeld in de
artikelen 475c tot en met 475e van het Wetboek van Burgerlijke
Rechtsvordering (Rv). Artikel 14g, negende lid, TW bepaalt dat de
beslagvrije voet niet geldt als de betrokkene zijn verplichting tot het
verstrekken van inlichtingen die voor de tenuitvoerlegging van belang
zijn niet of niet behoorlijk nakomt.
Voor de vaststelling van de juiste beslagvrije voet zal onderzoek moeten
worden verricht naar een aantal aspecten van het sociale en financiële
leven van eiser. De rechtbank is van oordeel dat de door verweerder in
dit kader aan eiser gevraagde inlichtingen omtrent die aspecten voor een
rechtens juiste uitvoering van hetgeen in de artikelen 475c en 475d Rv
is bepaald omtrent de beslagvrije voet, noodzakelijk zijn. Verweerder
heeft derhalve op goede gronden bij eiser middels toezending van een
inlichtingenformulier daarnaar navraag gedaan.
Naar het oordeel van de rechtbank is genoegzaam komen vast te staan dat
eiser -ondanks herhaald verzoek van de kant van verweerder- het formulier
onderzoek financiële omstandigheden niet tijdig heeft ingeleverd en dat
eiser daarmee niet aan zijn verplichting heeft voldaan om informatie te
verstrekken die voor de vaststelling van de beslagvrije voet van belang
is. De vraag of eiser aldus zijn inlichtingenplicht als bedoeld in
artikel 14a, vijfde lid, juncto artikel 14g, negende lid, van de TW
heeft geschonden en als gevolg daarvan de bepalingen omtrent de
beslagvrije voet niet van toepassing zijn, beantwoordt de rechtbank
bevestigend. Voor de tenuitvoerlegging van de terugvordering en de
daarbij te hanteren beslagvrije voet zijn de door verweerder gevraagde
inlichtingen immers van belang. Door deze niet te verstrekken heeft
eiser de op hem rustende inlichtingenplicht geschonden. Aan de
bepalingen omtrent de beslagvrije voet was verweerder derhalve niet
gebonden.
Ter zitting van 11 september 2003 heeft de gemachtigde van eiser nog
verzocht om begrip voor het feit dat eiser de financiële stukken te
laat heeft ingediend. De rechtbank overweegt hiertoe dat op eiser een
eigen verantwoordelijkheid rust om de stukken tijdig in te leveren en
dat aldus het te laat indienen van stukken voor rekening van eiser dient
te blijven. Dat eiser op een later tijdstip wel aan zijn verplichtingen
heeft voldaan doet hier niet aan af. De omstandigheid dat eiser heeft
gehandeld conform het advies van zijn toenmalige raadsman komt voorts
voor zijn risico. Door de beslagvrije voet op nihil te stellen heeft
gedaagde een besluit genomen waarbij hij binnen de grenzen van de wet is
gebleven.
Ook overigens kan niet gezegd worden dat het bestreden besluit strijd
oplevert met het geschreven of ongeschreven recht, dan wel met enig
algemeen rechtsbeginsel.”
De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en onderschrijft
de hiervoor aangehaalde overwegingen. Hetgeen van de zijde van appellant
in hoger beroep is aangevoerd is in hoofdzaak een herhaling van hetgeen
in eerste aanleg is aangevoerd en geeft de Raad geen aanleiding voor een
ander oordeel. De Raad verwijst hierbij naar zijn uitspraak van 29 april
2003, gepubliceerd in USZ 2003/232 en RSV 2003/247. Voorts leidt de door
de gemachtigde van appellant genoemde omstandigheid dat de
onverschuldigde betaling van toeslag niet aan het toedoen van appellant
te wijten zou zijn, de Raad niet tot een ander oordeel nu de vraag of al
dan niet sprake is van toedoen bij het vaststellen van de beslagvrije
voet geen rol speelt.
Het voorgaande brengt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. Ch. van Voorst als voorzitter en mr. M.S.E.
Wulffraat-van Dijk en mr. N.J. Haverkamp als leden, in tegenwoordigheid
van mr. A. van Netten als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5
oktober 2005.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) A. van Netten.
|
|