|
Uitspraak
03/2397 TW en 03/2399 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[betrokkene], wonende te [woonplaats], hierna: betrokkene,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, hierna: het Uwv.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het
Lisv.
Partijen hebben op de daartoe bij (aanvullend) beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
‘s-Gravenhage van 4 april 2003, nummer 02/1907 TW, waarnaar hierbij
wordt verwezen.
Het Uwv heeft bij zijn aanvullend beroepschrift tevens verweer gevoerd
inzake het hoger beroep van betrokkene. Betrokkene heeft op 21 juli 2003
nog een nader schrijven aan de Raad doen toekomen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2005,
waar betrokkene in persoon is verschenen en waar namens het Uwv is
verschenen mr. P.G. Koch, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
Het Uwv heeft aan betrokkene met ingang van 17 september 1996 een
uitkering ingevolge de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65 tot
80%, welke uitkering per 1 januari 1998 is omgezet in een uitkering
ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ).
Tot 1 april 1998 werd op betrokkenes uitkering een korting toegepast in
verband met inkomsten uit zijn eigen bedrijf. Vanaf laatstgenoemde datum
geniet betrokkene geen inkomsten uit arbeid meer.
Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het Uwv betrokkene met ingang van 27
april 2000, de datum gelegen één jaar voor de ontvangst van
betrokkenes aanvraag daartoe, een toeslag ingevolge de Toeslagenwet
toegekend. Tevens is bij besluit van diezelfde datum aan betrokkene
wegens het te laat aanvragen van de toeslag een maatregel opgelegd in de
vorm van een korting van 20% over de toeslag over de periode van 27
april 2000 tot 27 april 2001. Daarbij is overwogen dat betrokkene zijn aanvraag 365
kalenderdagen te laat had gedaan. Bij het bestreden besluit van 23 april
2002 heeft het Uwv zijn besluiten van 3 juli 2001 na bezwaar
gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond
verklaard en dat besluit vernietigd voorzover daarbij de oplegging van
een maatregel is gehandhaafd en het beroep voor het overige ongegrond
verklaard. Voorts is een bepaling gegeven omtrent de vergoeding van het
griffierecht in eerste aanleg.
Het hoger beroep van betrokkene richt zich tegen de ongegrondverklaring
van zijn beroep voorzover dat betrekking heeft op de ingangsdatum van
zijn uitkering. Hij heeft daarbij gesteld dat hij door het Uwv
onvolledig en onjuist is voorgelicht omtrent zijn recht op toeslag.
Betrokkene heeft erop gewezen dat in de folder van het Uwv over de
Toeslagenwet de WAZ niet wordt genoemd en dat daarin is vermeld dat
recht op toeslag bestaat bij een inkomen onder het sociaal minimum,
terwijl daarbij arbeidsinkomen wordt bedoeld. Betrokkene heeft inkomsten
uit de verhuur van kamers, waardoor het totale gezinsinkomen boven het
sociaal minimum ligt en kon derhalve zijns inziens niet weten dat hij
vanaf 1 april 1998 voor toeslag in aanmerking kwam.
De Raad stelt voorop dat volgens vaste jurisprudentie onbekendheid met
de regelgeving in beginsel geen grond oplevert om een bijzonder geval in
de zin van artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet aanwezig te
achten. Dat de door het Uwv uitgegeven folder over de Toeslagenwet - zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting van de Raad heeft
toegegeven - onvolledig en soms zelfs onjuist was, maakt dit in het
onderhavige geval niet anders. Met de rechtbank is de Raad van oordeel
dat het hier een algemene folder betreft, waarin nimmer alle specifieke
gevallen kunnen worden belicht. Meer dan de algemene lijnen kunnen
hierin dan ook niet worden beschreven. Betrokkene had zich bij het Uwv
kunnen laten voorlichten over de omstandigheden van zijn geval.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep van betrokkene
niet kan slagen.
Het hoger beroep van het Uwv is gericht tegen de vernietiging van het
bestreden besluit voorzover daarbij de oplegging van een maatregel is
gehandhaafd.
De rechtbank heeft de vernietiging van dit deel van het bestreden
besluit gegrond op de overweging dat betrokkene weliswaar het
controlevoorschrift heeft overtreden waarin is bepaald dat de aanvraag
om toeslag wordt gedaan binnen zes weken na het ontstaan van het recht
op toeslag, doch dat hem van deze overtreding redelijkerwijs geen
verwijt kan worden gemaakt nu het Uwv heeft nagelaten betrokkene
voldoende te informeren. De Raad kan de rechtbank hierin niet volgen.
Ook in dit verband geldt dat het Uwv via folders slechts algemene
informatie kan verstrekken en dat van betrokkene kon worden verwacht dat
hij zich zou laten voorlichten omtrent de aanspraak op toeslag in zijn
specifieke geval. Naar het oordeel van de Raad was het Uwv dan ook op
grond van artikel 14, eerste lid, van de Toeslagenwet verplicht een
maatregel op te leggen.
In het tweede lid van artikel 14 van de Toeslagenwet is bepaald dat een
maatregel als bedoeld in het eerste lid wordt afgestemd op de ernst van
de gedraging en de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten
kan worden. De Raad zal derhalve moeten beoordelen of de in casu
opgelegde maatregel van 20% over de toeslag over de periode van 27 april
2000 tot 27 april 2001 is afgestemd op de ernst van betrokkenes
gedraging en de mate waarin deze hem kan worden verweten, zoals bedoeld
in genoemd wetsartikel.
Het opnemen van een bepaling omtrent de aanvraagtermijn van een
uitkering in controlevoorschriften zal in zijn algemeenheid zijn
ingegeven door het belang van het uitvoeringsorgaan om bij de
vaststelling van het recht op een uitkering op eenvoudige wijze te
(kunnen) beschikken over de voor die vaststelling benodigde gegevens en
om zijn controlefunctie naar behoren te kunnen vervullen. Voor een
belangrijk deel wordt dit belang reeds gediend door de in diverse
socialezekerheidswetten opgenomen bepaling dat de uitkering - behoudens een afwijkingsbevoegdheid in bijzondere gevallen
- wordt
toegekend met een terugwerkende kracht van ten hoogste één jaar
voorafgaande aan de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Daar komt
voor de Toeslagenwet nog bij dat, anders dan bij de beoordeling van het
recht op een uitkering waarvoor de toestand van de uitkeringsgerechtigde
in het verleden van belang is, de controle zich beperkt tot de periode
waarover de toeslag - na toepassing van artikel 11, zevende lid van de
Toeslagenwet - wordt verstrekt. In casu geldt zelfs dat het Uwv via de
door betrokkene in het kader van de controle van zijn WAZ-uitkering
ingezonden inlichtingenformulieren geheel op de hoogte was van de
inkomenspositie van betrokkene en zijn echtgenote. Van een belang aan de
zijde van het Uwv om op eenvoudige wijze gegevens te kunnen verzamelen
en zijn controlefunctie goed te kunnen uitvoeren, kan in het onderhavige
geval dan ook nauwelijks worden gesproken.
Voorts is bij een afweging als de onderhavige van belang of en zo ja, in
hoeverre het Uwv door de overtreding van een controlevoorschrift door
betrokkene financieel wordt benadeeld. Bij een (te) late aanvraag door
betrokkene van een uitkering ingevolge de Toeslagenwet is van financiële
benadeling van het Uwv geen sprake. Bij een ruime overschrijding van de
aanvraagtermijn als hier aan de orde, is zelfs sprake van een financieel
voordeel aan de zijde van het Uwv, omdat de aanvrager op grond van
artikel 11, zevende lid, van de Toeslagenwet zijn aanspraak op toeslag
over een periode niet gehonoreerd ziet. Daar tegenover staat het financiële
belang van betrokkene, die zich niet alleen geconfronteerd ziet met een
maatregel van financiële aard, maar die ook nadeel ondervindt door het
niet kunnen realiseren van zijn aanspraak over een (ruime) periode in
het verleden.
Ten slotte is van belang dat betrokkene zijn verzuim weliswaar is aan te
rekenen, maar dat nu het Uwv - zoals de gemachtigde ter zitting van de
Raad heeft toegegeven - is tekortgeschoten bij zijn
informatievoorziening, hem geen ernstig verwijt valt te maken.
Dit alles afwegend, komt de Raad tot het oordeel dat er een grote mate
van onevenredigheid bestaat tussen de ernst van betrokkenes overtreding
van de controlevoorschriften en de mate waarin deze hem kan worden
verweten enerzijds en de opgelegde maatregel, die volgens de berekening
van het Uwv neerkomt op f 1.700,-, anderzijds. Toepassing van het
relevante Maatregelenbesluit is in het onderhavige geval dan ook in
strijd met artikel 14, tweede lid, van de Toeslagenwet. De Raad komt
derhalve - evenals de rechtbank, doch op andere gronden - tot het
oordeel dat het bestreden besluit voorzover daarbij de oplegging van een
maatregel is gehandhaafd, geen stand kan houden.
Op grond van al het vorenstaande komt de aangevallen uitspraak, deels
met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, nu geen proceskosten zijn
gevorderd en hem van voor ambtshalve voor vergoeding in aanmerking
komende kosten niet is gebleken.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Bepaalt dat van het Uwv een recht van € 414 wordt geheven.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. M.M. van der
Kade en mr. T.L. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Gunter
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) M.Gunter.
|
|