|
Uitspraak
02/2040 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, appellant,
en
[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder appellant mede verstaan het Lisv.
Appellant heeft op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde
gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank
’s-Hertogenbosch van 19 februari 2002, nummer 01/129 TW, waarnaar
hierbij wordt verwezen.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 20 augustus 2004,
waar namens appellant is verschenen mr. A.H. Rebel, werkzaam bij het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, terwijl gedaagde niet is
verschenen.
De Raad heeft vervolgens aanleiding gevonden het onderzoek in deze
procedure te heropenen teneinde gedaagde in de gelegenheid te stellen
een verweerschrift in te dienen. Gedaagde heeft daarna gereageerd op een
tweetal brieven van de Raad.
Naar aanleiding van een vraag van de Raad heeft appellant bij brief van
15 september 2005 de stand van zaken met betrekking tot de invordering
van de onverschuldigd betaalde uitkering nader toegelicht.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad op 14 oktober
2005, waar appellant zich wederom heeft doen vertegenwoordigen door mr.
A.H. Rebel, voornoemd, en waar gedaagde met kennisgeving niet is
verschenen.
II. MOTIVERING
Gedaagde ontving sedert 9 juni 1992 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk sedert 1 januari
1993 berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.
Vanaf 1 april 1996 ontving gedaagde daarnaast een toeslag op grond van
de Toeslagenwet (TW).
Bij besluit van 24 augustus 2000 heeft appellant gedaagdes uitkering
ingevolge de WAO met ingang van 10 juni 2000 beëindigd omdat gedaagde
zich in detentie bevond.
Bij besluit van 29 augustus 2000 heeft appellant de over de periode van
10 juni 2000 tot 1 september 2000 onverschuldigd betaalde WAO-uitkering
ten bedrage van f 3.515,94 van gedaagde teruggevorderd. Bij besluit van
(eveneens) 29 augustus 2000 is voorts een bedrag van f 4.446,31 aan
onverschuldigd betaalde toeslag van gedaagde teruggevorderd. Bij
beslissing op bezwaar van 12 december 2000 heeft appellant deze
besluiten gehandhaafd.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak appellants beroep
gegrond verklaard en het besluit van 12 december 2000 vernietigd
voorzover dat betrekking heeft op de terugvordering van toeslag
ingevolge de TW, onder veroordeling van appellant tot vergoeding van
proceskosten en griffierecht. Het beroep is voor het overige ongegrond
verklaard.
Appellant heeft hoger beroep ingesteld voorzover de aangevallen
uitspraak betrekking heeft op de terugvordering van toeslag. De Raad
overweegt daaromtrent het volgende.
De rechtbank heeft de vernietiging van het bestreden besluit voorzover
dat betrekking heeft op de terugvordering van toeslag ingevolge de TW op
twee gronden doen steunen.
In de eerste plaats heeft de rechtbank overwogen dat appellant,
voorafgaand aan of gelijktijdig met het besluit tot terugvordering van
de toeslag over de periode van 15 juli 1997 tot 1 maart 1999, geen
besluit heeft genomen waarbij op kenbare wijze is vastgesteld dat geen
of minder recht bestond op toeslag over die periode, zodat het bestreden
besluit, voorzover daarbij de toeslag is teruggevorderd, naar het
oordeel van de rechtbank een deugdelijke basis ontbeert.
De Raad stelt vast dat appellant in hoger beroep een besluit heeft
overgelegd van 11 juli 2000, waarbij de aan gedaagde toekomende toeslag
ingevolge de TW met ingang van 15 juli 1997 is gewijzigd in verband met
zijn gewijzigde gezinssituatie. Met dit besluit, dat zich ten onrechte
niet onder de gedingstukken bevond en waartegen geen rechtsmiddel is
aangewend, is komen vast te staan dat vanaf 15 juli 1997 aan gedaagde
een te hoog bedrag aan toeslag is betaald. De vernietiging van het
bestreden besluit op bovenomschreven overweging van de rechtbank kan dan
ook geen stand houden.
Daarbij merkt de Raad nog op dat het op de weg van de rechtbank had
gelegen om, alvorens over te gaan tot vernietiging van het bestreden
besluit, bij appellant navraag te doen naar het bestaan van een
“herzieningsbesluit” als hier aan de orde.
In de tweede plaats is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat een
schrijven van gedaagde van 18 (lees: 16) juli 2000 door appellant ten
onrechte niet is aangemerkt als een bezwaarschrift tegen een eerder
besluit van 11 juli 2000 waarbij de onverschuldigd betaalde toeslag van
gedaagde wordt teruggevorderd. Dit betekent volgens de rechtbank dat het
besluit van 29 augustus 2000, waarbij de toeslag is teruggevorderd,
aangemerkt moet worden als een hangende die bezwaarprocedure afgegeven
nieuw besluit in de zin van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb) en dat ten aanzien van laatstgenoemd besluit, nu
daarbij een hoger bedrag aan toeslag wordt teruggevorderd dan in het
besluit van 11 juli 2000, moet worden geoordeeld dat dit in strijd is
met het in artikel 8:69 van de Awb neergelegde verbod van reformatio in
peius.
De Raad kan de rechtbank hierin reeds hierom niet volgen dat naar zijn
oordeel het besluit van 29 augustus 2000 geen verslechtering inhoudt ten
opzichte van het besluit van 11 juli 2000. In laatstgenoemd besluit is
vermeld dat een bedrag van f 4.098,10 aan bruto-uitkering plus overhevelingstoeslag wordt
teruggevorderd. Uit de bij dit besluit gevoegde specificatie van het
teruggevorderde bedrag blijkt zonneklaar dat het brutobedrag van de
terugvordering f 4.446,31 bedraagt en dat het genoemde bedrag van f
4.098,10 het bedrag is na aftrek van de premies sociale verzekeringen.
Het besluit van 11 juli 2000 bevat derhalve een kennelijk misslag, die
bij het besluit van 29 augustus 2000 is hersteld.
Ook deze overweging kan derhalve de vernietiging van het bestreden
besluit door de rechtbank niet dragen.
Ook overigens ziet de Raad geen gronden voor het oordeel dat het
bestreden besluit voorzover daarbij de terugvordering van toeslag is
gehandhaafd, geen stand kan houden. Hetgeen gedaagde in dat verband
heeft aangevoerd, kan reeds daarom geen doel treffen, omdat dit op een
onjuiste feitelijke grondslag berust. Uit de gedingstukken blijkt niet
dat gedaagde - zoals hij heeft gesteld - appellant tijdig heeft geïnformeerd
over de wijziging in zijn leefsituatie. Op door hem op 26 juli 1997, 23 januari 1998 en 22 juli 1998 ingezonden inlichtingenformulieren heeft
gedaagde immers steeds aangegeven met zijn twee kinderen een gezin te
vormen. Eerst in een brief van 11 februari 1999 heeft hij aangegeven
sedert 1997 gedetineerd te zijn. Ook overigens is niet een omstandigheid
aangevoerd die moet worden aangemerkt als een dringende reden op grond
waarvan appellant van terugvordering had moeten afzien.
Gezien het vorenstaande kan de aangevallen uitspraak geen stand houden
voorzover daarbij het bestreden besluit is vernietigd en aan appellant
is opgedragen een nieuw besluit te nemen. Het beroep tegen het bestreden
besluit voorzover betrekking hebbend op de terugvordering van toeslag
dient derhalve ongegrond te worden verklaard. Nu er geen reden was
appellant te veroordelen tot vergoeding van proceskosten en
griffierecht, zal de Raad de aangevallen uitspraak ook in zoverre
vernietigen.
Beslist wordt derhalve als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voorzover daarbij het beroep gegrond
is verklaard, het bestreden besluit is vernietigd, aan appellant is
opgedragen een nieuw besluit te nemen en voorzover appellant is
veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit voorzover betrekking
hebbend op de terugvordering van toeslag ingevolge de TW ongegrond.
Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L. de
Vries en mr. H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van J.P. Grauss
als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) J.P. Grauss.
|
|