|
Uitspraak
04/1032 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
de erven van [naam betrokkene], p/a te [woonplaats], appellanten,
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Bij besluit van 24 september 2002 heeft gedaagde aan wijlen [naam
betrokkene] (hierna: de betrokkene) met ingang van 14 februari 2000 een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend
ten bedrage van € 6,37 bruto per dag.
Gedaagde heeft het tegen dit besluit namens betrokkene gemaakte bezwaar
bij besluit van 14 november 2002 ongegrond verklaard.
De rechtbank Arnhem heeft het door A. Wonink, werkzaam bij Alfa
accountants en adviseurs te Wageningen, ingestelde beroep tegen het
besluit van 14 november 2002 (hierna: het bestreden besluit) bij
uitspraak van 21 januari 2004, reg.nr. AWB 02/2816, ongegrond verklaard.
De gemachtigde van appellanten heeft tegen deze uitspraak hoger beroep
ingesteld op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden en onder
overlegging van onder andere een verklaring van erfrecht van 8 juli 2003
in verband met het overlijden van betrokkene op 20 februari 2003.
Gedaagde heeft van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 29 november 2005,
waar voor appellanten hun gemachtigde is verschenen en waar namens
gedaagde is verschenen J. de Graaf, werkzaam bij het UWV.
II. MOTIVERING
Aan de aangevallen uitspraak en de overige gedingstukken ontleent de
Raad de volgende voor zijn oordeelsvorming in dit geding van belang
zijnde feiten en omstandigheden.
Betrokkene voerde sinds 1 januari 1974 een agrarische onderneming in het
verband van een vennootschap onder firma. Met ingang van 1 januari 1998
bracht betrokkene zijn aandeel in deze vennootschap in in een maatschap
met zijn echtgenote. De onderneming is met ingang van 31 december 2000
gestaakt.
Betrokkene genoot sinds 13 juli 1988 tot zijn overlijden een
arbeidsongeschiktheidsuitkering (vanaf 1 januari 1998 op grond van de
Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ)), welke werd
berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
Gedaagde heeft bij zijn besluit van 17 mei 2000 van betrokkene in
verband met teveel inkomsten uit arbeid over de periode van 1 januari
tot en met 31 december 1998 een bedrag van f 13.702,40 aan ten onrechte
verstrekte WAZ-uitkering over die periode teruggevorderd. Dit bedrag
heeft gedaagde op 5 juni 2001 van betrokkene ontvangen. Gedaagde heeft
voorts naar aanleiding van de aanvraag van betrokkene van 14 februari
2001 om een toeslag ingevolge de TW onder andere het in rubriek I van
deze uitspraak omschreven primaire besluit van 24 september 2002
genomen. In de bezwaarprocedure is namens betrokkene gesteld dat
gedaagde, anders dan de fiscus bij de belastingheffing over het jaar
2000 deed conform de door betrokkene ingediende aangifte over dat jaar,
bij de vaststelling van de toeslag over 2000 op de daarbij in aanmerking
te nemen WAZ-uitkering van betrokkene over dat jaar ten onrechte niet in
mindering heeft gebracht de hiervoor vermelde terugbetaling van
betrokkene in 2000 over het jaar 1998. Gedaagde heeft bij het bestreden
besluit zijn primaire besluit gehandhaafd en daarbij onder andere
aangegeven dat het bedrag aan terugvordering over het jaar 1998 niets te
maken heeft met het recht van betrokkene op WAZ-uitkering en toeslag
over het jaar 2000. Deze schuld mag, aldus gedaagde in het bestreden
besluit, geen invloed hebben op de hoogte van de toeslag en dient
derhalve - evenals nihilstelling van een negatief inkomen uit bedrijf
ingevolge artikel 6, derde lid, van het Inkomsensbesluit TW - op nihil
te worden gesteld.
Evenals voor de rechtbank staat ook in hoger beroep uitsluitend ter
beoordeling de vraag of bij de vaststelling van de in geding zijnde
toeslag over het jaar 2000 rekening dient te worden gehouden met de in
de bezwaarprocedure door de gemachtigde van betrokkene voorgestane en
hiervoor omschreven saldering van de WAZ-uitkering over 2000 met de
terugbetaling in 2000 over 1998.
De rechtbank heeft het bestreden besluit onderschreven en daartoe
overwogen dat noch de TW noch het Inkomensbesluit TW aanknopingspunten
biedt voor evenbedoelde saldering. Dat de terugvordering fiscaal als
negatief loon is aangemerkt doet daaraan volgens de rechtbank niet af.
In hoger beroep heeft de gemachtigde van - inmiddels - appellanten onder
verwijzing naar de belastingwetgeving aangevoerd dat voordelen uit
WAZ-uitkeringen niet tot de winst worden gerekend en dat in verband
hiermede de nihilstelling van de terugvordering door gedaagde bij het
bestreden besluit onjuist is. Voorts heeft de gemachtigde gesteld dat
vanwege de terugbetaling in 2000 een inkomen resteerde beneden het
minimumloon hetgeen ingevolge artikel 2, eerste lid, onder b, van de TW
recht op toeslag geeft. Wat betreft de door de gemachtigde voorgestane
saldering heeft hij nog gewezen op het inkomensbegrip in artikel 6,
eerste lid, onder a, van de TW en op de betekenis in dit verband van de
artikelen 3a, tweede lid, en artikel 4, eerste lid, van de Coördinatiewet
Sociale Verzekeringen.
Gedaagde heeft in zijn verweerschrift erkend dat een WAZ-uitkering niet
behoort tot de winst uit onderneming. De door betrokkene over het jaar
1998 terugbetaalde uitkering is volgens gedaagde dan ook niet op nihil
gesteld maar buiten beschouwing gelaten bij de vaststelling van het
recht op de in geding zijnde toeslag. Vervolgens heeft gedaagde
uiteengezet dat betrokkene en zijn echtgenote in 2000 een op nihil
gestelde negatieve winst uit onderneming hadden en dat voor de
vaststelling van de toeslag in aanmerking is genomen de WAZ-uitkering
van betrokkene over 2000 en het loon uit dienstbetrekking van zijn
echtgenote over dat jaar en heeft hij zijn standpunt met betrekking tot
de door de gemachtigde voorgestane saldering nogmaals herhaald.
De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in rechte stand kan
houden.
De Raad overweegt daartoe dat ingevolge artikel 2, eerste lid, aanhef en
onder a, van de TW recht op toeslag heeft de gehuwde die recht heeft op
een loondervingsuitkering, waartoe ingevolge artikel 1, eerste lid,
aanhef en onder d, van de TW onder andere een WAZ-uitkering wordt
verstaan. Op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder a, van de
TW wordt als inkomen voor een gehuwde aangemerkt de som van het inkomen
uit of in verband met arbeid in het bedrijfs- en beroepsleven van
hemzelf en zijn echtgenoot. In artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a,
van het Inkomensbesluit TW wordt voor de toepassing van artikel 6,
eerste lid, van de TW onder het in dat artikellid bedoelde inkomen in
verband met arbeid verstaan onder andere een loondervingsuitkering in de
zin van de wet. Uit dit wettelijk stelsel valt, naar de gemachtigde van
appellanten ter zitting op zichzelf ook wel erkende, niet af te leiden
dat bij de vaststelling van het inkomen dat volgens artikel 2, eerste
lid, onder b, van de TW recht geeft op een toeslag, in aanmerking wordt
genomen de door de gemachtigde voorgestane saldering met een
terugvorderingsbedrag uit een ander jaar dan waarop de gevraagde toeslag
betrekking heeft. De voor de vaststelling van dit inkomen in aanmerking
te nemen bestanddelen met het oog op de vaststelling van het recht op
toeslag zijn in het verweerschrift naar het oordeel van de Raad dan ook
met juistheid vermeld. De omstandigheid dat de saldering als evenbedoeld
wel in de fiscale aangifte van betrokkene over 2000 is verwerkt doet,
daargelaten of de fiscus dit ook heeft aanvaard, hieraan niet af.
Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden
bevestigd.
Voor een veroordeling van een partij in de proceskosten van een andere
partij ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. K.J.S. Spaas als voorzitter en mr. C.W.J. Schoor
en mr. C.P.M. van de Kerkhof als leden, in tegenwoordigheid van mr.
J.E.M.J. Hetharie als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10
januari 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) J.E.M.J. Hetharie.
|
|