|
Uitspraak
04/5732 TW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellant heeft mr. I. Wudka, advocaat te Maastricht, op bij
nader beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een
door de rechtbank Maastricht op 3 september 2004, nr. AWB 04/772 TW
tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 9 november 2005, waar voor
appellant is verschenen mr. M.M.G. Crompvoets, kantoorgenoot van mr.
Wudka, terwijl gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door F.P.L.
Smeets, werkzaam bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat het in dit geding aan de orde zijnde geschil
wordt beoordeeld aan de hand van de Toeslagenwet (TW) en de daarop
berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.
De Raad gaat voor zijn beoordeling uit van de volgende feiten.
Gedaagde heeft appellant bij besluit van 10 april 2001 met ingang van 22
januari 2001 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend,
bestaande uit een loongerelateerde uitkering voor de duur van 2 jaar ter
hoogte van 70% van het loon dat appellant gemiddeld per dag verdiende en
een vervolguitkering gedurende 2 jaar, waarvan de hoogte 70% bedraagt
van het minimumloon per dag dat voor hem geldt. Bij hetzelfde besluit is
de aanvraag van appellant om een toeslag ingevolge de TW afgewezen,
omdat het totale gezinsinkomen van appellant hoger was dan het sociaal
minimum dat voor appellant gold. Gedaagde heeft hierbij aangegeven dat
appellant mogelijk op een later moment wel in aanmerking komt voor een
toeslag, indien de reden van de afwijzing verandert, en dat hij dan een
nieuwe aanvraag kan indienen.
Na beëindiging van de WW-uitkering met ingang van 10 oktober 2001 is
deze per 15 november 2001 herleefd. In het daarop betrekking hebbende
besluit van 17 december 2001 is aan appellant medegedeeld dat de
loongerelateerde uitkering afloopt op 26 februari 2003 en dat hij daarna
gedurende 2 jaar recht heeft op vervolguitkering.
Met ingang van 27 februari 2003 is de loongerelateerde uitkering omgezet
in een vervolguitkering gedurende 2 jaar. Appellant is hiervan
mededeling gedaan bij besluit van 20 maart 2003.
Op 3 december 2003 heeft appellant een aanvraag gedaan om een toeslag
ingevolge de TW. Bij besluit van 18 december 2003 heeft gedaagde
appellant de gevraagde toeslag toegekend onder toepassing van een
korting van 20% gedurende 279 dagen wegens overschrijding van de
aanvraagtermijn. Dit besluit is gehandhaafd bij het bestreden besluit
van 16 april 2004, onder nadere vaststelling van de periode waarover de
korting zich uitstrekt op 236 dagen.
De rechtbank heeft het door appellant ingestelde beroep tegen het
bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat de
korting vanwege de te late melding terecht was en verwierp het door
appellant ter rechtvaardiging daarvan gedane beroep op onbekendheid met
de regeling, omdat appellant zich naar het oordeel van de rechtbank had
moeten laten informeren op het moment waarop hij merkte dat hij over te
weinig geld beschikte.
In hoger beroep heeft appellant gesteld dat de TW hem tot kort voor zijn
aanvraag niet bekend was en dat gedaagde heeft nagelaten hem daarover te
informeren. Daarbij heeft hij gesteld dat hij slechts eenmalig, namelijk
in de toelichting in het besluit van 10 april 2001, is gewezen op een
eventueel toekomstige aanspraak op een toeslag ingevolge de TW. Naar de
mening van appellant had gedaagde hem daarop ook behoren te wijzen toen
de loongerelateerde uitkering werd omgezet in een vervolguitkering,
omdat op dat moment genoegzaam kon worden aangenomen dat hij financieel
onder het wettelijk sociaal minimum was gekomen. Appellant meent verder
dat de beoordeling van zijn aanvraag niet is gecompliceerd door de
overschrijding van de aanvraagtermijn, zodat de ratio ontbreekt om hem
een korting op te leggen.
De Raad overweegt als volgt.
Ingevolge artikel 1, derde lid, van de ter uitvoering van artikel 30 van
de TW vastgestelde Controlevoorschriften Toeslagenwet wordt de aanvraag
om een toeslag gedaan binnen 6 weken na het ontstaan van het recht op
toeslag.
Vast staat dat het recht op toeslag in het geval van appellant is
ontstaan op 27 februari 2003. Ook staat vast dat appellant zijn aanvraag
niet heeft ingediend binnen 6 weken na die datum, maar eerst op 3
december 2003. Hiermee heeft appellant artikel 13 van de TW overtreden
waarin, voor zover van belang, is bepaald dat degene die aanspraak maakt
op toeslag verplicht is de controlevoorschriften op te volgen.
Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de TW en artikel 3, eerste lid,
aanhef en onder c, van het mede ter uitvoering van artikel 14 van de TW
vastgestelde Maatregelenbesluit Tica legt gedaagde degene die artikel 13
van de TW overtreedt een maatregel op in de vorm van een korting, welke
20% over de te late termijn bedraagt indien het gestelde tijdstip met
meer dan 112 dagen wordt overschreden. In artikel 3, tweede lid, van het
Maatregelenbesluit Tica is bepaald dat, indien de mate van
verwijtbaarheid van de gedraging of de nalatigheid van de verzekerde
daartoe aanleiding geeft, de hoogte van de maatregel in het hier aan de
orde zijnde geval 10% bedraagt.
Van het opleggen van een maatregel wordt ingevolge artikel 14, tweede
lid, van de TW in elk geval afgezien, indien elke vorm van
verwijtbaarheid ontbreekt.
De Raad is van oordeel dat gedaagde bij het bestreden besluit de lengte
van de termijnoverschrijding terecht heeft bepaald op 236 dagen,
berekend vanaf het moment waarop de aanvraagtermijn was verstreken.
Gedaagde is dan ook terecht uitgegaan van een korting van 20% over 236
dagen. Gelet op het imperatieve karakter van artikel 14, eerste lid, van
de TW acht de Raad tevens juist, dat gedaagde niet van belang heeft
geacht of de termijnoverschrijding heeft geleid tot extra inspanningen
aan zijn kant om het recht van appellant vast te stellen.
Ten aanzien van de vraag of de termijnoverschrijding ten volle aan
appellant kan worden verweten overweegt de Raad het volgende.
Appellant heeft in 2001 een aanvraag om een toeslag ingevolge de TW
gedaan en is in de afwijzende beslissing op die aanvraag gewezen op de
mogelijkheid van het indienen van een nieuwe aanvraag indien de reden
van afwijzing zou veranderen. Voorts blijkt uit de stukken dat in het
kader van appellants aanvraag om herleving van zijn WW-uitkering in
december 2001 is bezien of hij voor een toeslag op grond van de TW in
aanmerking kwam. Op grond van de toen door appellant verstrekte
informatie is van het indienen van een aanvraag afgezien. De Raad leidt
uit deze feiten af dat appellant al geruime tijd voordat zijn
loongerelateerde WW-uitkering overging in de lagere vervolguitkering van
het bestaan van de TW op de hoogte was. Uit gedaagdes besluiten van 10
april 2001 en 17 december 2001 was het appellant bovendien duidelijk dat
de loongerelateerde uitkering afliep op 26 februari 2003 en dat de
vervolguitkering lager zou zijn dan de loongerelateerde uitkering en
lager dan het minimumloon. Appellant had dan ook veel eerder dan hij
heeft gedaan kunnen informeren naar mogelijkheden om een aanvulling te
verkrijgen op de vervolguitkering.
Gelet op deze omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet
worden gezegd dat de mate van verwijtbaarheid zodanig verminderd is, dat
aanleiding bestaat om de hoogte van de maatregel te stellen op 10% in
plaats van 20%. Van het ontbreken van elke vorm van verwijtbaarheid is
derhalve evenmin sprake.
Op grond van het vorenstaande komt de Raad tot het oordeel dat de
rechtbank het bestreden besluit terecht in stand heeft gelaten. De
aangevallen uitspraak dient dan ook te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. H. Bolt als voorzitter en mr. H.G. Rottier en mr.
B.M. van Dun als leden, in tegenwoordigheid van S. l’Ami als griffier,
en uitgesproken in het openbaar op 21 december 2005.
(get.) H. Bolt.
(get.) S. l’Ami.
|
|