|
Uitspraak
meervoudige kamer 03/6335 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 31 oktober 2003, 03/360
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 21 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. V.J.M. Janszen, advocaat te Haarlem, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 maart 2006.
Appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Janszen, voornoemd. Het
Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door R. Zaagsma.
II. OVERWEGINGEN
Bij zijn oordeelsvorming gaat de Raad uit van de volgende feiten.
Ten tijde hier van belang ontving appellant een uitkering ingevolge de
Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering. In aanvulling hierop
ontving appellant een uitkering ingevolge de Toeslagenwet (TW). Bij een
negental afzonderlijke besluiten van 14 augustus 2002, betrekking
hebbend op de periode van 28 januari 2001 tot en met 27 januari 2002,
heeft het Uwv in verband met een gewijzigd (gezins)inkomen de aan
appellant toegekende toeslag herzien. Bij daaropvolgend besluit van 15 augustus 2002 heeft het Uwv over de voormelde periode een bedrag van
€ 2.560,20 van appellant teruggevorderd wegens onverschuldigde
betaling. Vervolgens heeft het Uwv appellant bij besluit van 3 oktober
2002 onder meer meegedeeld dat de beslagvrije voet op nihil was gesteld.
De door appellant tegen die besluiten gemaakte bezwaren hebben geleid
tot het besluit van 15 januari 2003, waarbij de bezwaren tegen de
besluiten van 14 augustus 2002 en 15 augustus 2002 ongegrond zijn
verklaard. Voorts is bij dit besluit het bezwaar tegen het besluit van 3
oktober 2002 niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen het besluit van 15 januari 2003 heeft appellant beroep ingesteld,
voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten van 14 augustus 2002
en 15 augustus 2002 ongegrond zijn verklaard. De rechtbank heeft dit
beroep ongegrond verklaard.
Appellant is van mening dat het Uwv niet tot de onderhavige herziening
van zijn toeslag had mogen overgaan. Hij wist niet dat hij een toeslag
ontving en kon derhalve ook niet weten dat het opgeven van het
gezinsinkomen relevant was voor het vaststellen van deze toeslag.
De Raad kan appellant niet volgen in dit betoog. De Raad is op grond van
de gedingstukken, waaronder de verklaringen van appellant zoals hij die
ter zitting bij de rechtbank heeft afgelegd, tot de conclusie gekomen
dat appellant wist of had kunnen weten dat hij een toeslag ontving en
dat hij tevens wist of had kunnen weten dat het totale gezinsinkomen van
belang was voor het vaststellen van de hoogte van deze toeslag. De Raad
is dan ook van oordeel dat appellant door het gezinsinkomen niet tijdig
bij het Uwv op te geven, niet heeft voldaan aan de in artikel 12 van de
TW neergelegde informatieplicht en dit betekent dat het Uwv terecht met
toepassing van artikel 11a van de TW de aan appellant toegekende
toeslag, zoals die over de in geding zijnde periode is toegekend, heeft
herzien.
Ingevolge artikel 20 van de TW wordt de toeslag die als gevolg van een
besluit als bedoeld in artikel 11a onverschuldigd is betaald,
teruggevorderd. Appellant heeft de hoogte van het teruggevorderde bedrag
niet bestreden. Appellant is echter van mening dat het Uwv van
terugvordering had moeten afzien omdat hij veel schulden heeft en er
derhalve sprake is van een dringende reden als bedoeld in artikel 20,
vierde lid, van de TW. Ook hierin kan de Raad appellant niet volgen.
Ingevolge dit artikellid is het Uwv bevoegd om geheel of gedeeltelijk af
te zien van terugvordering indien daarvoor dringende redenen aanwezig
zijn. Het gaat hier - zoals ook blijkt uit de parlementaire geschiedenis
- om uitzonderingen indien voor betrokkene als gevolg van de
terugvordering onaanvaardbare consequenties optreden. Het gaat dan om
incidentele gevallen, waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de
hand is en waarin een individuele afweging plaatsvindt van alle
relevante omstandigheden. Een dergelijke situatie acht de Raad echter
niet aanwezig. De Raad is op grond van de gedingstukken niet tot de
conclusie kunnen komen dat de onderhavige terugvordering tot
onaanvaardbare financiële consequenties voor appellant heeft geleid, al
zeker niet als de Raad daarbij in aanmerking neemt dat het Uwv het terug
te vorderen bedrag uiteindelijk heeft beperkt tot € 50,- per maand.
Het vorenstaande betekent dat het bestreden besluit, voor zover
aangevochten, op goede gronden berust en dat de aangevallen uitspraak
voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter en J.W.
Schuttel en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van J.P. Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 21 april
2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
|
|