|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/354 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 22 augustus 2003,
02/3009 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna Uwv).
Datum uitspraak: 28 april 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 maart 2006, waar
appellant niet is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen
door mr. R. Sowka.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontving als alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18
jaar sedert 6 april 1994 een toeslag krachtens de Toeslagenwet (TW).
Naar aanleiding van een anonieme tip, gedateerd 22 juli 1997, heeft het
Uwv in 2001 onderzoek verricht waaruit naar voren kwam dat appellants
dochter sinds het derde kwartaal 1993 bij de moeder woonachtig was die
ook kinderbijslag voor dit kind ontving.
Op de jaarlijkse inlichtingenformulieren had appellant vanaf de
toekenning van de toeslag ingevuld dat zijn minderjarige dochter bij hem
woonde en dat hij ook kinderbijslag voor haar ontving.
Na een onderzoek heeft het Uwv de toeslag ingevolge de TW met
terugwerkende kracht met ingang van 6 april 1994 beëindigd en de ten
onrechte betaalde toeslag teruggevorderd. Bij het bestreden besluit van
23 mei 2002 heeft het Uwv zijn besluiten van 26 september 2001 tot
terugvordering van de voor het tijdvak 1 augustus 1996 tot en met 31
augustus 2001 onverschuldigd betaalde toeslag van f 27.698.48
gehandhaafd. Tevens heeft het Uwv gehandhaafd zijn besluit van 5 augustus 2001, strekkende tot verrekening met een bedrag van f 144,17
per maand.
Ter zitting bij de rechtbank heeft appellant meegedeeld dat het beroep
zich niet langer richt tegen de beëindiging van de toeslag nu
aangetoond is dat hij geen kinderbijslag ontving.
In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt in beroep herhaald dat er
bij de aflossing van het terugvorderingbedrag geen rekening is gehouden
met zijn aanvullende ziekenfondspremie en de schuld bij de FBTO. Voorts
is hij van mening in zijn belang te zijn geschaad nu het Uwv zo lang
gewacht heeft met het onderzoek naar aanleiding van de anonieme tip,
zodat dit naar zijn mening aanleiding vormt de terugvordering te
beperken tot de datum waarop het Uwv de anonieme tip ontving.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag, evenals de rechtbank, bevestigend en
stelt zich achter de overwegingen van de aangevallen uitspraak.
Met ingang van 1 augustus 1996 is, door de inwerkingtreding van de Wet
boeten, maatregelen, terug- en invordering, de terugvordering niet
langer een bevoegdheid van het Uwv, maar een verplichting. Dit houdt in
dat in beginsel iedere onverschuldigd betaalde uitkering dient te worden
teruggevorderd. In artikel 20 van de TW, dat de bepalingen over de
terugvordering van de onverschuldigde betaling bevat, is in het vierde
lid bepaald dat het Uwv kan besluiten geheel of gedeeltelijk van de
terugvordering af te zien, indien daarvoor dringende reden aanwezig
zijn.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant niets heeft
aangevoerd waaruit zou blijken dat er dringende redenen zijn om af te
zien van de terugvordering. Het Uwv heeft inderdaad lang geen actie
ondernomen nadat de anonieme tip binnengekomen was, maar het stilzitten
van het bestuursorgaan levert volgens vaste jurisprudentie geen
dringende reden op.
De Raad schaart zich eveneens achter de overwegingen van de rechtbank
ten aanzien van de vrijwillige verzekering en de schuld aan de FBTO.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. Vos als voorzitter en J.W. Schuttel
en R.C. Stam als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van J.P.
Mulder als griffier, uitgesproken in het openbaar op 28 april 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) J.P. Mulder.
|
|