|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2702 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 31 maart 2004,
03/137 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 mei 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E.J.M. van Daalhuizen, advocaat te Rotterdam,
hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 februari 2006.
Appellant is daar in persoon verschenen, bijgestaan door mr. Van
Daalhuizen voornoemd, terwijl voor het Uwv is verschenen J. Knufman.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de
Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het Lisv.
Appellant ontving tot 1 april 1999 een uitkering ingevolge de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van
arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Daarnaast ontving hij de maximale
toeslag ingevolge de Toeslagenwet. Met ingang van 1 april 1999 is de
WAO-uitkering van appellant verhoogd van de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% naar de klasse 80 tot 100%. Dit is aan hem
medegedeeld bij besluit van 27 mei 1999.
Bij besluit van 17 juli 2002 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld dat
zijn toeslag ingevolge de Toeslagenwet in verband met de herziening van
zijn WAO-uitkering eveneens per 1 april 1999 is herzien, dat hij over de
periode 1 april 1999 tot 1 juli 2002 teveel toeslag heeft ontvangen en
dat het teveel betaalde wordt teruggevorderd.
Bij brief van eveneens 17 juli 2002 heeft het Uwv aan appellant
medegedeeld dat hij nog recht heeft op nabetaling van de verhoging van
zijn WAO-uitkering over de periode 1 april 1999 tot 1 juni 1999. Deze
nabetaling zal worden verrekend met de terug te vorderen toeslag.
Bij besluit van 25 juli 2002 heeft het Uwv een bedrag van € 12.057,11
aan onverschuldigd betaalde toeslag van appellant teruggevorderd.
Bij brief van 25 juli 2002 heeft het Uwv het resterende bedrag van de
terug te vorderen toeslag, na verrekening met de nog na te betalen
WAO-uitkering, bepaald op € 10.583,47.
Namens appellant is tegen de besluiten van 17 juli 2002 en 25 juli 2002
bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 3 december 2002 heeft het Uwv het bezwaar tegen het
besluit van 17 juli 2002 ongegrond verklaard. Het bezwaar tegen het
besluit van 25 juli 2002 is gegrond verklaard, in die zin dat het terug
te vorderen bedrag aan toeslag na verrekening € 10.583,47 bedraagt.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 3 december 2002 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond
verklaard.
Het gaat in dit geding om de beantwoording van de vraag of het oordeel
van de rechtbank over het bestreden besluit in rechte stand kan houden.
De Raad beantwoordt deze vraag bevestigend en stelt zich achter de
overwegingen van de aangevallen uitspraak. Daaraan voegt hij nog het
volgende toe.
Het feit dat het Uwv pas in een zeer laat stadium tot herziening van de
toeslag is overgegaan doet niet af aan de uit artikel 11a, eerste lid,
aanhef en onder b, van de Toeslagenwet voortvloeiende verplichting om
tot herziening over te gaan.
Evenals de rechtbank is ook de Raad van oordeel dat het appellant
redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de verhoging van zijn
WAO-uitkering per 1 april 1999 invloed zou hebben op zijn recht op
toeslag en dat hij teveel toeslag ontving. De Raad wijst op het grote
verschil tussen het bedrag aan WAO-uitkering, welke tot 1 april 1999 was
berekend naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% en daarna naar
de klasse 80 tot 100%. Voor zover appellant hieromtrent in onzekerheid
verkeerde had hij hierover navraag bij het Uwv kunnen doen.
De Raad is, evenals de rechtbank, van oordeel dat eerdere perikelen
tussen appellant en het Uwv met betrekking tot betaling van een onjuist
uitkeringsbedrag los staan van het besluit van 27 mei 1999 inzake de
verhoging van zijn WAO-uitkering, uit welk besluit hij had kunnen
afleiden dat dit gevolgen zou hebben voor zijn recht op toeslag. De Raad
onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat er van dringende redenen
als bedoeld in artikel 11a, tweede lid, van de Toeslagenwet geen sprake
is.
Voorts heeft de rechtbank erop gewezen dat het Uwv op grond van artikel
20, eerste lid, van de Toeslagenwet gehouden is om de onverschuldigd
betaalde toeslag terug te vorderen. Alleen in geval van een dringende
reden kan het Uwv besluiten om van terugvordering af te zien. De
stelling dat appellant achteraf geen aanspraak meer kan maken op
bepaalde voorzieningen zoals huursubsidie en woonkostentoeslag, waarop
hij mogelijk wel een beroep had kunnen doen als vanaf het begin de
juiste toeslag was vastgesteld, levert ook naar het oordeel van de Raad
geen dringende reden op om van terugvordering af te zien, reeds omdat de
stelling dat appellant voor die voorzieningen niet in aanmerking kwam
niet met bewijsstukken is onderbouwd. De Raad voegt daar nog aan toe dat
ook het feit dat het Uwv pas in een laat stadium tot herziening en
terugvordering van de toeslag is overgegaan geen dringende reden
oplevert om van terugvordering af te zien. De Raad verwijst daarbij naar
zijn uitspraak van 9 mei 2003, nr. 01/4375 TW, LJN AL1609, waarin
is overwogen dat het stilzitten van het Uwv geen dringende reden
oplevert omdat dit ziet op de oorzaak van de terugvordering en niet op
de (onaanvaardbare) consequenties van de terugvordering.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en C.W.J.
Schoor en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 23 mei 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|