|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/6933 TW e.a.
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv),
en
de in de aan deze uitspraak gehechte bijlage genoemde personen, wonende
te Marokko, (hierna: betrokkenen),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 november 2004, reg.
nr. 04/3210 e.a. (hierna: aangevallen uitspraak),
in de gedingen tussen:
het Uwv
en
betrokkenen.
Datum uitspraak: 30 juni 2006.
I. PROCESVERLOOP
Het Uwv heeft hoger beroep ingesteld. Namens betrokkenen heeft mr. C.A.J.
de Roy van Zuydewijn, advocaat te Amsterdam, eveneens hoger beroep
ingesteld. Voorts heeft het Uwv een aanvullend verweerschrift ingediend.
Het Uwv heeft bij brieven van 9 september 2005, 13 september 2005 en 10
november 2005 vragen van de Raad beantwoord.
Het onderzoek ter zitting in de gedingen onder nummers 04/6933, 04/6935,
04/6940, 04/6942, 04/6943, 04/6944, 04/6945, 04/6954, 04/6981, 05/792,
05/1369, 05/1463, 05/1464, 05/1466, 05/1467, 05/1468, 05/1469 en 05/1472
TW heeft - gevoegd met het geding onder nummer 04/6963 TW - plaatsgevonden op 9 december 2005. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door I. Eijkhout en A. Anandbahadoer. Namens
betrokkenen is verschenen mr. De Roy van Zuydewijn, voornoemd.
Na de behandeling van genoemde gedingen ter zitting van de Raad is
gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee
de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.
Nadat in een aantal niet ter zitting behandelde zaken nadere stukken
zijn opgevraagd, hebben partijen toestemming gegeven het (verdere)
onderzoek ter zitting van de Raad achterwege te laten.
II. OVERWEGINGEN
Gelet op de vanwege partijen gegeven toestemming daartoe heeft de Raad
bepaald dat het (verdere) onderzoek ter zitting achterwege blijft en het
onderzoek gesloten.
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder het Uwv tevens verstaan het
Lisv.
In 2000 heeft het Uwv aan betrokkenen besluiten toegezonden waarin aan
hen werd medegedeeld dat de toeslag die zij ingevolge de Toeslagenwet
(TW) ontvingen, vanaf 1 januari 2000 in een periode van drie jaar zou
worden afgebouwd. Over het jaar 2000 ontvingen betrokkenen nog de
volledige toeslag, over het jaar 2001 twee derden van deze toeslag, over
het jaar 2002 een derde van deze toeslag en ingaande 1 januari 2003 zou
de toeslag geheel worden beëindigd.
De door het Uwv genomen besluiten waren gebaseerd op artikel 4a van de
TW in samenhang met artikel XI van de Wet beperking export uitkeringen
(hierna: Wet BEU).
Betrokkenen zijn destijds niet in rechte opgekomen tegen de afbouw van
hun toeslag.
Een aantal van de in Marokko wonende Marokkaanse gerechtigden op een
toeslag ingevolge de TW is destijds wel opgekomen tegen de afbouw van
hun toeslag. De Raad heeft bij uitspraak van 12 september 2003, USZ
2003/303, geoordeeld dat deze afbouw in strijd is met artikel 5, eerste
lid, van het Algemeen Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het
Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko (Trb. 1972, 34,
hierna: het NMV).
Na deze uitspraak hebben betrokkenen, deels op eigen initiatief en deels
naar aanleiding van informatie van het Uwv, nieuwe aanvragen om een
toeslag ingevolge de TW ingediend. Vervolgens heeft het Uwv bij primaire
besluiten aan betrokkenen meegedeeld dat de betaling van hun toeslag
vanaf 12 september 2003 wordt voortgezet. Bij de bestreden besluiten
heeft het Uwv zijn standpunt na bezwaar gehandhaafd.
De rechtbank Amsterdam heeft de beroepen van betrokkenen tegen de
bestreden besluiten bij de aangevallen uitspraak gegrond verklaard, die
besluiten vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van het
in de uitspraak overwogene nieuwe besluiten te nemen. Tevens zijn
bepalingen omtrent de vergoeding van griffierecht en proceskosten
gegeven.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak overwogen dat artikel 4:6
van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in de onderhavige zaken van
toepassing is nu betrokkenen hebben verzocht terug te komen van de door
het Uwv in 2000 genomen besluiten, waarin de toeslag met ingang van 1
januari 2001 gefaseerd is ingetrokken. In het kader van de toetsing aan
artikel 4:6 van de Awb heeft de rechtbank allereerst beoordeeld of
betrokkenen nova hebben aangevoerd. De rechtbank heeft die vraag
ontkennend beantwoord. Vervolgens heeft de rechtbank beoordeeld of het
Uwv bij de toepassing van artikel 4:6 van de Awb de bestreden besluiten
in redelijkheid niet heeft kunnen nemen, dan wel anderszins heeft
gehandeld in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan
wel algemeen rechtsbeginsel. De rechtbank heeft deze vraag bevestigend
beantwoord. De rechtbank heeft hierbij in aanmerking genomen dat de Raad
bij uitspraak van 14 maart 2003, USZ 2003/147, heeft geoordeeld dat de
afbouw van de toeslag van in Turkije wonende Turkse gerechtigden in
strijd is met artikel 5, eerste lid, van Verdrag 118 betreffende
gelijkheid van behandeling van eigen onderdanen en vreemdelingen op het
gebied van de sociale zekerheid van 28 juni 1962, Trb. 1964, 23 (hierna:
IAO-Verdrag 118) en dat het Uwv aan alle Turkse uitkeringsgerechtigden,
ook aan degenen die destijds niet zijn opgekomen tegen de afbouw van hun
toeslag, de toeslag vanaf 1 januari 2001 heeft hergeven. De rechtbank
ziet geen verschillen tussen deze groep van Turkse
uitkeringsgerechtigden die geen rechtsmiddelen tegen de afbouw hebben
aangewend, en betrokkenen die zouden moeten leiden tot de conclusie dat
deze groepen niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Nu betrokkenen
nadeliger worden behandeld dan een vergelijkbare groep van Turkse
uitkeringsgerechtigden, het standpunt van het Uwv dat hier geen sprake
is van gelijke gevallen onjuist is, en het Uwv voor het gemaakte
onderscheid geen enkele rechtvaardiging heeft aangevoerd, is de
rechtbank van oordeel dat de bestreden besluiten strijden met het
algemene rechtsbeginsel dat gelijke gevallen gelijk dienen te worden
behandeld.
De rechtbank heeft het verzoek van de gemachtigde van betrokkenen (met
uitzondering van betrokkenen 22 en 23) om in geval van gegrondverklaring
van de beroepen bij de vaststelling van de proceskostenveroordeling het
Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) buiten toepassing te laten,
afgewezen. Volgens de rechtbank is de uitspraak van het EHRM van 21 mei
2003 in de zaak Azas tegen Griekenland, waarop namens betrokkenen een
beroep is gedaan, in de onderhavige gevallen niet van toepassing. De
rechtbank heeft in dit verband onder meer overwogen dat betrokkenen
behalve een eigen bijdrage geen kosten voor rechtsbijstand zijn
verschuldigd. Die kosten worden gedragen door de Nederlandse overheid.
Reeds daarom gaat een vergelijking met de hiervoor genoemde uitspraak
van het EHRM niet op, aldus de rechtbank.
Namens het Uwv is in hoger beroep allereerst opgemerkt dat hij het
oordeel van de rechtbank dat door betrokkenen geen nova zijn aangevoerd,
onderschrijft. Zulks betekent, zoals de rechtbank naar het oordeel van
het Uwv terecht heeft overwogen, dat in rechte uitsluitend kan worden
getoetst of het Uwv bij de toepassing van artikel 4:6 van de Awb de
bestreden besluiten in redelijkheid niet heeft kunnen nemen of
anderszins in strijd met een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan
wel rechtsbeginsel heeft gehandeld. Het Uwv kan zich echter niet vinden
in het oordeel van de rechtbank dat de bestreden besluiten in strijd met
het gelijkheidsbeginsel moeten worden geacht. De rechtbank lijkt, aldus
het Uwv, te suggereren dat het voor de vergelijkbaarheid van de situatie
tussen Marokkaanse en Turkse uitkeringsgerechtigden al voldoende is dat
in de verdragen waar deze gerechtigden onder vallen de toepassing van
een bepaling inzake export van uitkeringen aan de orde is. Dit is
volgens het Uwv echter een te grofmazige benadering. De enige wijze
waarop een uitkering als de toeslag ingevolge de TW aan de reikwijdte
van de exportbepaling in het bilaterale verdrag met Marokko kan worden
onttrokken, is hetzij de TW van de materiële werkingssfeer van het
verdrag uit te zonderen, hetzij een uitzondering op de exportbepaling in
het verdrag op te nemen. In beide gevallen is een tijdrovende
verdragswijziging noodzakelijk. In de context van IAO-Verdrag 118 is de
mogelijkheid van exportbeperking van non-contributieve uitkeringen al
bij voorbaat gegeven. Het bijzondere regime voor dit type uitkeringen
wordt automatisch van toepassing door aanmelding van de betrokken
prestaties bij de Directeur-Generaal van de Internationale
Arbeidsorganisatie. De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
heeft met terugwerkende kracht tot 1 januari 2000, zijnde de datum
waarop de Wet BEU in werking is getreden, de TW alsnog als
non-contributieve prestatie aangemeld. Dit betekent in de praktijk dat
vanaf 1 juli 2003 er geen toeslagen meer naar Turkije worden geëxporteerd.
Onder normale omstandigheden zou het volgens het Uwv voor de hand hebben
gelegen de toeslagen voor de Turkse uitkeringsgerechtigden met ingang
van 14 maart 2003 te hergeven. Dan zouden deze gerechtigden echter zo
weinig profijt van de uitspraak hebben gehad dat de vraag rijst of zulks
nog wel in overeenstemming is met het zogenaamde effectiviteitsbeginsel.
De situatie ligt anders bij de in Marokko wonende Marokkaanse
gerechtigden die destijds niet zijn opgekomen tegen de afbouw van de
toeslag. Binnen het kader van het verdrag met Marokko kan een aanmelding
van de TW als non-contributieve prestatie niet in beeld komen. Export
van toeslag naar deze gerechtigden zal nog jaren voortduren.
Namens betrokkenen is in hoger beroep aangevoerd dat in casu niet de eis
kan gelden dat er nova zijn. Niettemin is als novum aan te merken dat
het Uwv aan personen die vallen onder IAO-Verdrag 118 op en na 1 januari
2001 de volledige toeslag heeft verstrekt. Voorts heeft de gemachtigde
van betrokkenen herhaald dat het gelijkheidsbeginsel dwingt tot herstel
van de toeslag vanaf 1 januari 2001. Daarnaast is namens betrokkenen,
onder verwijzing naar een uitspraak van de Raad van 25 november 2005,
02/4459 ANW, een beroep gedaan op artikel 11, zevende lid, van de TW.
Daarbij is aangevoerd dat hun verzoeken wat betreft de periode vanaf 1
januari 2003 dienen te worden aangemerkt als een (verlate) nieuwe
aanvraag om toeslag. Ten slotte is namens betrokkenen, behoudens de
betrokkenen 22 en 23, gemotiveerd de hoogte van de te vergoeden kosten
van rechtsbijstand, zoals vastgesteld door de rechtbank, betwist.
De Raad overweegt als volgt.
Tussen partijen is allereerst in geschil of het Uwv terecht heeft
besloten de toeslagen niet eerder opnieuw toe te kennen dan per 12
september 2003. De Raad ziet aanleiding bij de beantwoording van deze
vraag onderscheid te maken tussen de periode vóór en na 1 januari
2003.
a. Het tijdvak na 1 januari 2003
De Raad stelt voorop dat het recht van betrokkenen op toeslag ingaande 1
januari 2003 is beëindigd. Zoals de Raad reeds heeft overwogen in zijn
uitspraak van 3 maart 2006, 04/6963 TW, USZ 2006, 143, is een na die beëindiging
van het recht ingediende nieuwe aanvraag om een toeslag geen herhaalde
aanvraag als bedoeld in of analoog aan artikel 4:6 van de Awb voorzover
deze betrekking heeft op een periode gelegen na bedoelde
beëindigingsdatum.
Naar het oordeel van de Raad dient zo’n aanvraag te worden behandeld
conform de regels gesteld in de TW en de regels en beginselen die
anderszins de beslissing op een aanvraag beheersen. Dit brengt met zich
mee dat de toeslag op grond van het bepaalde in artikel 11, zevende lid,
van de TW in beginsel met een terugwerkende kracht van een jaar moet
worden toegekend. In gevallen waarin de mogelijke terugwerkende kracht
tot aan 1 januari 2003 minder dan één jaar bedraagt - zoals in het
geval van de betrokkenen 1, 3, 5 en 7- zal de uitkering in elk geval met
volledig terugwerkende kracht tot 1 januari 2003 moeten worden
toegekend.
Het Uwv heeft bij brief van 13 september 2005 aangegeven dat aan alle
betrokkenen een formulier ‘aanvraag Toeslagenwet’ is toegezonden. In
diverse dossiers, waaronder die van de betrokkenen 8 t/m 10, 12, 14, 16
t/m 20, 22 t/m 24, 26 t/m 28, 30 t/m 35, 37, 41 t/m 42, 44, 46 t/m 50,
52 t/m 54, 56 t/m 58, 60, 65 t/m 67, 69, 71, 73 t/m 74, 76 t/m 78, 80
t/m 83, 87 t/m 88, 90 t/m 92, 94 t/m 95, 98, 100, 102 t/m 103 en 105 t/m
107, zijn de formulieren niet aanwezig. Ter zitting heeft de gemachtigde
van het Uwv bevestigd dat zulk een formulier wel door deze betrokkenen
moet zijn ingezonden. Nu het Uwv geen aanvraagformulier van voornoemde
betrokkenen heeft kunnen overleggen, en derhalve niet bekend is op welke
datum door hen een aanvraag om toeslag is ingediend, dient naar het
oordeel van de Raad te worden uitgegaan van de datum van de eerste
aanvraag die het Uwv heeft bereikt, te weten 1 oktober 2003. De toeslag
dient aan deze betrokkenen derhalve in elk geval met een terugwerkende
kracht tot 1 januari 2003 te worden toegekend.
Ten aanzien van betrokkenen die de aanvraag om een toeslag eerst na 1
januari 2004 - zoals in het geval van de betrokkenen 2, 4, 6, 11, 13,
15, 21, 25, 29, 36, 38 t/m 40, 43, 45, 51, 55, 59, 61 t/m 64, 68, 70,
72, 75, 79, 84 t/m 86, 89, 93, 96 t/m 97, 99, 101 en 104 - hebben
ingediend dient de Raad vervolgens de vraag te beantwoorden of er sprake
is van een bijzonder geval dat zou kunnen leiden tot toekenning van een
toeslag met verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar vóór de
datum van de aanvraag. De Raad beantwoordt deze vraag ontkennend. De
Raad acht hierbij van belang dat deze betrokkenen de in 2000 jegens hen
genomen afbouwbesluiten hadden kunnen aanvechten. Voorts is de Raad niet
gebleken dat zij niet in staat zijn geweest eerder dan de datum waarop
zij een aanvraag hebben ingediend, een toeslag aan te vragen.
b. Het tijdvak vóór 1 januari 2003
Voorzover de aanvragen van betrokkenen betrekking hebben op de periode
gelegen vóór de beëindigingsdatum van de toeslag, te weten 1 januari
2003, moeten deze aanvragen worden aangemerkt als een verzoek van
betrokkenen aan het Uwv om terug te komen van de in 2000 genomen
besluiten tot afbouw van de toeslag. Ten aanzien van de afwijzende
besluiten van het Uwv op deze aanvragen oordeelt de Raad als volgt.
Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van een
belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te
komen inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit
in volle omvang te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel
4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. In het kader van de
toetsing door de bestuursrechter kan dit echter niet de weg openen naar
een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke
wijze van toetsen zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk
voorgeschreven termijn(en) voor het instellen van rechtsmiddelen in het
bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke
besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de
vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde
omstandigheden en zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had
behoren te vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.
Betrokkenen hebben zich op het standpunt gesteld dat in casu niet de eis
kan gelden dat er nova zijn. Anders dan namens betrokkenen in dit
verband is gesteld, kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd
dat er in onderhavige zaken sprake is van een wijziging van het recht en
derhalve van een situatie waarvoor artikel 4:6 van de Awb niet is
geschreven. Ten aanzien van de voorts in dit kader namens betrokkenen
ingenomen stelling dat de leer van de formele rechtskracht niet altijd
onverkort geldt, met name niet als het gaat om besluiten van algemene
strekking, merkt de Raad op dat in de onderhavige zaken geen besluiten
van algemene strekking aan de orde zijn. Verder is namens betrokkenen
aangevoerd dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese
Gemeenschappen van 8 maart 2001, Metalgesellschaft ltd en anderen, C-397/98, kan worden afgeleid dat van particulieren niet altijd kan
worden verlangd dat zij kansloze rechtsmiddelen moeten aanwenden
teneinde hun recht niet te verspelen. De Raad kan het beroep op dit
arrest niet volgen. Gelet op de uitspraak van de Raad van 12 september
2003 zou het juist wel zinvol zijn geweest indien betrokkenen in rechte
zouden zijn opgekomen tegen de besluiten tot afbouw van de toeslag.
Naar het oordeel van de Raad is van nieuwe feiten of veranderde
omstandigheden niet gebleken. Volgens vaste jurisprudentie vormt de
inhoud van inmiddels tot stand gekomen jurisprudentie op zichzelf geen
grond voor het doorbreken van het rechtens onaantastbaar zijn van
besluiten waartegen niet in rechte is opgekomen. De handelwijze van het
Uwv jegens een groep van Turkse uitkeringsgerechtigden die niet in
rechte zijn opgekomen tegen de afbouw van hun toeslag en aan wie naar
aanleiding van de uitspraak van de Raad van 14 maart 2003 met ingang van
1 januari 2001 alsnog een toeslag is toegekend, kan evenmin als een
novum in de zin van artikel 4:6 van de Awb worden aangemerkt. Bij een
novum dient het te gaan om een feit dat of een omstandigheid die ziet op
het oorspronkelijke besluit. In casu is daaraan niet voldaan.
Gegeven het feit dat er geen nova zijn aangevoerd, rijst vervolgens de
vraag of gezegd moet worden dat het Uwv heeft gehandeld in strijd met
een geschreven of ongeschreven rechtsregel dan wel in redelijkheid niet
tot het bestreden besluit heeft kunnen komen. De gemachtigde van
betrokkenen heeft in dit verband een beroep gedaan op het
gelijkheidsbeginsel en daarbij in de eerste plaats verwezen naar Turkse
toeslaggerechtigden.
In de eerdergenoemde uitspraak van de Raad van 3 maart 2006, 04/6963 TW,
USZ 2006, 143, heeft de Raad overwogen dat hij het standpunt van het Uwv,
dat de situatie van in Marokko wonende uitkeringsgerechtigden zoals
betrokkenen niet vergelijkbaar is met die van in Turkije wonende
uitkeringsgerechtigden, kan volgen. Voorts heeft de Raad overwogen dat
de omstandigheid dat in relatie tot Turkije kort na de uitspraak van de
Raad van 14 maart 2003 geen toeslag meer naar dit land wordt geëxporteerd
terwijl eenzelfde reactie naar aanleiding van de uitspraak van de Raad
van 12 september 2003 in relatie tot Marokko niet heeft kunnen
plaatsvinden, het Uwv in redelijkheid heeft kunnen doen besluiten ten
aanzien van Marokko niet de toeslag ingaande 1 januari 2001 te hergeven.
De gemachtigde van betrokkenen heeft voorts erop gewezen dat ook aan uitkeringsgerechtigden in Brazilië, Israël, Kaapverdië, Tunesië en
het voormalige Joegoslavië die niet in rechte zijn opgekomen tegen de
afbouw van hun toeslag, de toeslag per 1 januari 2001 is hergeven.
Tevens heeft de gemachtigde erop gewezen dat aan Marokkaanse
uitkeringsgerechtigden die wel bezwaar hebben gemaakt tegen de afbouw
van hun toeslag maar geen beroep tegen de beslissing op bezwaar hebben
ingesteld, de toeslag eveneens met ingang van 1 januari 2001 is
hergeven.
Ten aanzien van Brazilië, Israël, Kaapverdië, het voormalige
Joegoslavië en Tunesië verwijst de Raad naar hetgeen de Raad
dienaangaande heeft overwogen in eerdergenoemde uitspraak van 3 maart
2006, 04/6963 TW, USZ 2006, 143.
Ten aanzien van Marokkaanse uitkeringsgerechtigden die enkel bezwaar
hebben aangetekend tegen de afbouw van hun toeslag en aan wie de toeslag
eveneens met ingang van 1 januari 2001 is hergeven, heeft het Uwv
meegedeeld dat voor deze handelwijze is gekozen omdat deze gerechtigden
door het instellen van bezwaar blijk hebben gegeven het niet eens te
zijn met de afbouw van hun toeslag. Dit in tegenstelling tot
betrokkenen. De Raad is van oordeel dat de situatie van betrokkenen niet
vergelijkbaar is met deze groep van Marokkaanse uitkeringsgerechtigden
nu betrokkenen geen enkel rechtsmiddel hebben aangewend tegen de afbouw
van hun toeslag. Gezien deze omstandigheid heeft het Uwv naar het
oordeel van de Raad in redelijkheid tot het gemaakte onderscheid kunnen
komen.
Ook overigens is de Raad niet gebleken dat de weigering van het Uwv om
terug te komen van de besluiten tot herziening en intrekking van de
toeslag in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of
dat het Uwv niet in redelijkheid tot deze besluiten heeft kunnen komen.
Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat de rechtbank bij de
aangevallen uitspraak de bestreden besluiten terecht heeft vernietigd,
omdat het Uwv daarbij de ingangsdatum van de aan betrokkenen toegekende
toeslag onjuist heeft vastgesteld. Het Uwv dient hieromtrent nieuwe
beslissingen op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad in
deze uitspraak heeft overwogen.
Met betrekking tot de proceskosten overweegt de Raad het volgende.
De rechtbank heeft de kosten van rechtsbijstand van betrokkenen,
behoudens de betrokkenen 22 en 23, berekend met toepassing van de
gewichtsfactor 1 en vermenigvuldigd met de factor 1,5 omdat de gedingen
moeten worden beschouwd als samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3
van het Bpb. De rechtbank heeft bepaald dat het Uwv aan deze betrokkenen
tezamen € 966,-- dient te betalen, dat wil zeggen per betrokkene €
9,20. Aan betrokkenen 22 en 23 dient het Uwv tezamen € 644,-- te
betalen, dat wil zeggen per betrokkene € 322,--.
Op betrokkenen 22 en 23 na kunnen betrokkenen zich niet verenigen met de
door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling. Volgens deze
betrokkenen valt de vergoeding per betrokkene dermate laag uit dat er
sprake is van schending van hun eigendomsrechten. In dit verband is
verwezen naar het arrest van het EHRM van 21 mei 2003 in de zaak Azas
tegen Griekenland. Deze betrokkenen zijn van mening dat het Bpb een
leemte bevat waar het gaat om samenhang in een groot aantal zaken,
waarin een vergoeding als de onderhavige niet volstaat. Zij stellen zich
op het standpunt dat de rechtbank in casu de leemte had moeten opvullen.
Als norm kan hierbij dienen het in de Wet op de rechtsbijstand en het
daarbij behorende Besluit vergoedingen rechtsbijstand neergelegde
systeem. Deze betrokkenen hebben voorts een beroep gedaan op het
bepaalde in artikel 2, derde lid van het Bpb. Verder verzoeken alle
betrokkenen het Uwv te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand in
hoger beroep, vast te stellen als gevorderd met betrekking tot de
vaststelling in eerste instantie.
Wat betreft de proceskosten in eerste aanleg overweegt de Raad dat hij
van oordeel is dat er sprake is van bijzondere omstandigheden als
bedoeld in artikel 2, derde lid van het Bpb zodat er grond bestaat om
van de op basis van artikel 2, eerste lid van het Bpb vastgestelde
forfaitaire vergoeding af te wijken. Toepassing van artikel 2, eerste
lid van het Bpb zou, gelet op de omvang van de groep betrokkenen, leiden
tot een proceskostenvergoeding die niet in verhouding staat tot de door
de gemachtigde van deze betrokkenen verrichte werkzaamheden. De Raad is
van oordeel dat het Uwv aan betrokkenen, behoudens de betrokkenen 22 en
23, € 100,-- per persoon dient te vergoeden, dat wil zeggen tezamen € 10.500,--.
Wat betreft de proceskosten in hoger beroep ziet de Raad aanleiding om,
onder verwijzing naar hetgeen hiervoor is overwogen, met toepassing van
artikel 2, derde lid van het Bpb te komen tot een hogere vergoeding. De
Raad is van oordeel dat het Uwv aan betrokkenen, € 100,-- per persoon
dient te vergoeden, dat wil zeggen tezamen € 10.700,--.
Het vorenstaande leidt tot een bedrag aan proceskosten per betrokkene
dat naar het oordeel van de Raad niet in strijd is met enige regeling
van internationaal recht. Het beroep van de gemachtigde van betrokkenen
op het arrest Azas tegen Griekenland slaagt niet. Dit arrest heeft
betrekking op de onteigening van een aantal percelen grond voor de
verbreding van een weg. De onteigende personen waren gedwongen een
veelheid van procedures te volgen waarvoor zij hoge kosten terzake van
rechtsbijstand moesten maken. Zij ontvingen slechts een zeer gering
bedrag aan vergoeding van proceskosten,waardoor zij zelf een groot deel
van de hoge kosten dienden te dragen. Het EHRM oordeelde dat er onder
die omstandigheden sprake was van strijd met artikel 1 van Protocol nr.
1 bij het EVRM, Trb. 1952, 80. In de onderhavige gevallen dienen
betrokkenen, gezien het stelsel van de gefinancierde rechtshulp, slechts
een betrekkelijk gering bedrag aan kosten voor rechtsbijstand voor hun
rekening te nemen, dat gelet op hun inkomen, niet als een ‘excessive
burden’ kan worden aangemerkt. De omstandigheden in onderhavige
gevallen zijn derhalve niet vergelijkbaar met die in het arrest Azas.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de door de rechtbank uitgesproken proceskostenveroordeling
behoudens voorzover die betrekking heeft op betrokkenen 22 en 23;
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige, met dien verstande
dat de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen nieuwe beslissingen op bezwaar dient te nemen
met inachtneming van deze uitspraak van de Raad;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van betrokkenen in beroep en
in hoger beroep tot een bedrag groot € 21.200,-- te betalen door het
Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, in de zaken die in de
bijlage met een * zijn gemarkeerd aan de griffier van de Raad en in de
overige zaken aan betrokkenen.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. Deze beslissing is, in
tegenwoordigheid van S. Sweep als griffier, uitgesproken in het openbaar
op 30 juni 2006.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) S. Sweep.
|
|