|
Uitspraak
meervoudige kamer 05/3951 TW
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger
beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 mei 2005, 04/2043
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen.
Datum uitspraak: 10 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet
bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 18 oktober 2005 heeft
de Raad het door appellant ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen
uitspraak (wegens het niet binnen de gestelde termijn hebben betaald van
het griffierecht) niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 18 oktober 2005 heeft appellant bij
brief van 9 december 2005 verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 29 mei
2006, waar beide partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad dient in de eerste plaats te beoordelen of appellant
ontvankelijk is in zijn verzet.
Ingevolge de, op grond van artikel 8:55, eerste lid, van de Algemene wet
bestuursrecht (Awb), van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen
6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van de Awb geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een verzetschrift bedraagt zes weken.
Deze termijn gaat in op de dag na die waarop de uitspraak door middel
van toezending aan de belanghebbende is bekendgemaakt.
Een verzetschrift is tijdig ingediend als het voor het einde van de
termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een verzetschrift
tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is
bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is
ontvangen.
De uitspraak van de Raad is op 18 oktober 2005 aan partijen verzonden,
waardoor de termijn voor het instellen van verzet liep van 19 oktober
2005 tot en met 29 november 2005. Het verzetschrift is op 12 december
2005 ter griffie van de Raad ontvangen, waardoor voormelde termijn is
overschreden.
Bij schrijven van 3 januari 2006 is aan appellant gevraagd naar de reden
van de termijnoverschrijding.
Appellant heeft op laatstgenoemd schrijven niet gereageerd.
De Raad merkt op dat appellant in de uitspraak van de Raad van 18
oktober 2005 duidelijk is gewezen op de verzetstermijn van zes weken. De
Raad is niet gebleken van redenen om de termijnoverschrijding
verschoonbaar te achten.
Gelet op het voorgaande dient het verzet niet-ontvankelijk te worden
verklaard.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J.
Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 10 juli 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
|
|