|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/3801 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle van 1 juli 2004, 04/27
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 25 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft H. Bouwmeester, verbonden aan Alfa accountants en
Adviseurs te Ommen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 26 mei 2006 heeft appellant mr. H. Kosse gemachtigd namens
hem de zitting bij te wonen.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 juni 2006.
Namens appellant is verschenen mr. H. Kosse. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door J.T. Wielinga.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt sedert 3 januari 1983 een
arbeidsongeschiktheidsuitkering, aanvankelijk op grond van de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet, met ingang van het jaar 1998 op grond van de
Wet op de Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ).
Daarnaast is hij nog werkzaam in zijn eigen bedrijf. Na ontvangst van de
jaarstukken over het jaar 2002 op 29 september 2003 heeft het Uwv
appellant een aanvraagformulier Toeslagenwet (TW) toegestuurd. Appellant
heeft dit formulier ingevuld en geretourneerd, waarna het op 28 oktober
2003 bij het Uwv is ingekomen. Bij besluit van 20 november 2003 heeft
het Uwv aan appellant een toeslag van € 12,56 per dag toegekend met
ingang van 29 september 2002, zijnde één jaar voor de dag waarop
appellant het verzoek daartoe heeft ingediend. Hierbij is als
aanvraagdatum gehanteerd de datum waarop de jaarstukken zijn ontvangen.
Bij besluit van 30 december 2003 (hierna: het bestreden besluit) is het
bezwaar van appellant tegen het besluit van 20 november 2003 gegrond
verklaard en is de hoogte van de toeslag gesteld op € 16,99 bruto per
dag. De ingangsdatum van de uitkering, 29 september 2002, is
gehandhaafd.
Procedureel
Tegen het bestreden besluit heeft appellant beroep bij de rechtbank
ingesteld. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep
ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep behandeld ter zitting van 24 mei 2004,
waar beide partijen zijn verschenen. Ter zitting is afgesproken dat het
Uwv nog nadere informatie zou geven omtrent de vraag of appellant over
de jaren 2000 en 2001 een toeslag ingevolge de TW heeft ontvangen. De
gemachtigde van appellant heeft ermee ingestemd dat de rechtbank op
grond van deze informatie zonder nadere zitting uitspraak zou doen.
Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek van de zaak gesloten.
Bij brief van 25 mei 2004 heeft het Uwv aan de rechtbank medegedeeld dat
appellant over de genoemde jaren geen toeslag heeft ontvangen.
Vervolgens heeft de rechtbank op 1 juli 2004 de thans aangevallen
uitspraak gewezen. Eerst bij brief van 25 augustus 2004 is de brief van het Uwv van 25 mei 2004 aan de
gemachtigde van appellant toegezonden.
Zoals de Raad al eerder in een soortgelijk geval heeft uitgesproken -
namelijk in zijn uitspraak van 10 maart 1998, LJN ZB7512 - verdraagt de
behandeling van het geding in eerste aanleg, zoals hierboven beschreven,
zich niet met het bepaalde in artikel 8:65, eerste lid, van de Algemene
wet bestuursrecht (Awb). Indien de rechtbank ter zitting een partij nog
in de gelegenheid stelt nadere stukken in te brengen dient zij het
onderzoek niet te sluiten, maar het met toepassing van artikel 8:64,
eerste lid, van de Awb te schorsen. Wanneer, zoals in het onderhavige
geval, nieuwe gedingstukken zijn ingezonden, dient het onderzoek ter
nadere zitting van de rechtbank te worden hervat, tenzij partijen na
ontvangst van de gedingstukken, toestemming als bedoeld in artikel 8:64,
vijfde lid, van de Awb, hebben gegeven voor het achterwege laten van de
nadere zitting
De Raad heeft zich beraden op de vraag of de zaak al dan niet moet
worden teruggewezen naar de rechtbank Zwolle. Hij heeft deze vraag
ontkennend beantwoord nu nader onderzoek in deze zaak niet noodzakelijk
is en uit het verhandelde ter zitting kan worden geconcludeerd dat
partijen wensen dat de zaak in hoger beroep inhoudelijk wordt afgedaan.
Inhoudelijk
Zowel in beroep als in hoger beroep richten de grieven van appellant
zich tegen de ingangsdatum van de toeslag. Appellant stelt zich op het
standpunt dat hem in het verleden al een toeslag ingevolge de TW is
toegekend en deze toeslag tussentijds niet is beëindigd zodat hij
helemaal geen aanvraag had hoeven in te dienen. Volgens appellant
hanteert het Uwv een uitvoeringspraktijk waarbij wordt uitgegaan van
vaststelling van het recht op een toeslag voor een bepaalde periode (een
boekjaar) waarna steeds weer opnieuw een aanvraag moet worden gedaan en
verdraagt deze praktijk zich niet met het systeem van de TW. Immers,
wanneer eenmaal het recht op toeslag is vastgesteld en dit recht niet is
beëindigd hoeft geen nieuwe aanvraag te worden gedaan.
Verder heeft appellant aangevoerd dat het Uwv aan zijn beslissing om hem
niet eerder dan per 29 september 2002 een toeslag toe kennen mede zijn
veiligstellings- en voorschotbeleid ten grondslag gelegd, welk beleid
echter geen grondslag heeft in de TW.
Naar aanleiding hiervan overweegt de Raad als volgt.
Vaststaat dat het Uwv bij besluit van 1 februari 2002 aan appellant
heeft medegedeeld dat zijn aanvraag om een toeslag op grond van de TW
over de periode van 1 mei 1998 tot en met 31 december 1999 is afgewezen.
Bij brief van 25 mei 2004 heeft het Uwv aan de rechtbank medegedeeld dat
appellant over de jaren 2000 en 2001 geen toeslag heeft ontvangen.
Appellant heeft dit niet betwist. Evenals de rechtbank stelt de Raad
vast dat het recht op toeslag in elk geval per 1 mei 1998 is geëindigd.
Een situatie zoals door appellant geschetst, waarin sprake is van een
vastgesteld en niet beëindigd recht op toeslag, is hier dus niet aan de
orde. De door appellant bekritiseerde uitvoeringspraktijk, wat daar ook
van zij, behoeft dan ook geen bespreking.
Wilde appellant opnieuw in aanmerking komen voor een toeslag dan diende
hij ingevolge artikel 11, eerste lid, van de TW, een nieuwe aanvraag in
te dienen. Appellant heeft dat ook gedaan en wel op 28 oktober 2003. Het
Uwv is er niet ten nadele van appellant van uitgegaan dat de aanvraag in
feite is gedaan met het inzenden van de jaarstukken 2002 op 29 september
2003.
Resteert beantwoording van de vraag of het Uwv terecht heeft aangenomen
dat geen bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de
TW, aanwezig was om de toeslag eerder te doen ingaan dan één jaar voor
de datum van indiening van de aanvraag.
Het Uwv heeft in het bestreden besluit gewezen op het veiligstellings-
en voorschotbeleid dat voor zelfstandigen zoals appellant is ontwikkeld
en vastgesteld. Dit beleid beoogt te voorkomen dat verzekerden na
ommekomst van een boekjaar een aanvraag voor een toeslag indienen en
alsdan met de termijn van artikel 11, zevende lid, eerste volzin, van de
TW worden geconfronteerd. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn
uitspraak van 26 maart 1997, LJN AL0759, kan niet onder verwijzing naar
dit beleid worden gesteld dat in gevallen als het onderhavige van een
bijzonder geval, althans in beginsel, geen sprake kan zijn. Gelet op de
tweede volzin van dit artikel kan een dergelijk beleid niet afdoen aan
de mogelijke aanwezigheid van een bijzonder geval in individuele
gevallen.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting maakt de Raad op dat de
reden dat de aanvraag niet eerder werd ingediend de veronderstelling van
appellant was dat hij helemaal geen aanvraag hoefde in te dienen om voor
een toeslag in aanmerking te komen. Onbekendheid met de regels kan
echter ingevolge vaste jurisprudentie van de Raad in beginsel geen
aanleiding zijn om aan te nemen dat sprake is van een bijzonder geval.
Niet is gesteld of gebleken dat appellant door het veiligstellings- en
voorschotbeleid van het Uwv in verwarring is geraakt over de regels.
Ook overigens is de Raad niet gebleken van bijzondere omstandigheden op
grond waarvan gezegd zou moeten worden dat appellant niet eerder de
toeslag aan had kunnen vragen.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand houdt
en dat - nu de aangevallen uitspraak op procedurele gronden vernietigd
moet worden - het inleidend beroep ongegrond dient te worden verklaard.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan het bepaalde in
artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent het procedurele aspect
van het beroep, alsmede op het bepaalde in artikel 25, eerste lid, van
de Beroepswet, stelt de Raad ten slotte vast dat het door appellant in
hoger beroep betaalde griffierecht door gedaagde dient te worden
vergoed.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het inleidend beroep ongegrond;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 102,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor als voorzitter en C.P.M. van
de Kerkhof en M. Greebe als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van T.S.G Staal als griffier, in het openbaar uitgesproken op 25 juli
2006.
(get.) C.W.J. Schoor.
(get.) T.S.G.. Staal.
|
|