|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 05/7059 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (Fillippijnen) (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2005,
05/573 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 14 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 mei 2006. Appellant
is niet verschenen. Het Uwv was vertegenwoordigd door A. Anandbahadoer.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 28 november 2000, verzonden aan het juiste adres van
appellant op 11 juli 2001, is aan appellant meegedeeld dat de toeslag
die hij ontvangt ingevolge de Toeslagenwet (TW) wordt afgebouwd in een
periode van drie jaar. Over het jaar 2000 ontvangt hij nog de volledige
toeslag, over het jaar 2001 2/3 van de toeslag, over het jaar 2002 1/3
van de toeslag en met ingang van 1 januari 2003 wordt de toeslag geheel
beëindigd.
Bij brief van 28 november 2004, door het Uwv ontvangen op 8 december
2004, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de stopzetting van de
toeslag ingevolge de TW.
Bij besluit van 7 januari 2005 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv
appellants bezwaar wegens onverschoonbare termijnoverschrijding
niet-ontvankelijk verklaard.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit
ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank het volgende overwogen
(waarbij appellant als “eiser” is aangeduid en het Uwv als
“verweerder”):
“De rechtbank stelt vast dat verweerder bij brief van 28 november
2000, verzonden aan eiser op 11 juli 2001, aan eiser heeft meegedeeld,
dat de toeslag die hij ontvangt ingevolge de Toeslagenwet wordt
afgebouwd in een periode van drie jaar. Bij brief van 22 augustus 2001
heeft eiser aan verweerder een aantal vragen gesteld omtrent de beëindiging
van de toeslag. Hieruit blijkt dat eiser het besluit in ieder geval vóór
22 augustus 2001 heeft ontvangen.
Naar aanleiding van een herbeoordeling van eisers arbeidsongeschiktheid
in het kader van de hem toegekende Wajong-uitkering heeft eiser bij
brief van 20 november 2004 (lees: 28 november 2004), derhalve ruim drie
jaar na ontvangst van het besluit, bezwaar gemaakt tegen het besluit tot
afbouwen van zijn toeslag ingevolge de Toeslagenwet. Eiser heeft in zijn
bezwaarschrift onder meer aangevoerd dat hij het besluit van 28 november
2000 later dan zes weken na de dagtekening heeft ontvangen, waardoor hij
destijds geen bezwaar meer kon maken binnen de wettelijke
bezwaartermijn.
De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hetgeen eiser heeft
aangevoerd geen grond bevat waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld
dat eiser niet in verzuim is geweest. De stelling van eiser dat hij
destijds geen bezwaar heeft kunnen maken omdat de wettelijke
bezwaartermijn reeds was verstreken kan eiser, wat hier ook van zij, op
dit moment geen soelaas bieden, nu hij eerst drie jaar nadat hij het
besluit heeft ontvangen alsnog bezwaar heeft gemaakt.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder
eiser terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard in zijn bezwaar.”
De Raad kan deze overwegingen van de rechtbank volledig onderschrijven
en maakt deze tot de zijne. De Raad merkt hierbij op dat appellant in
hoger beroep geen nieuwe argumenten heeft aangevoerd op grond waarvan
hem niet kan worden verweten dat hij, terwijl vaststaat dat hij het
besluit van 28 november 2000 in ieder geval op een tijdstip vóór 22
augustus 2001 heeft ontvangen, eerst bij brief van 28 november 2004
daartegen bezwaar heeft ingediend bij het Uwv.
Gezien het vorenstaande kan het hoger beroep niet slagen en dient de
aangevallen uitspraak bevestigd te worden.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J. Janssen. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van N.E. Nijdam als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 14 juli 2006.
(get.) J. Janssen.
(get.) N.E. Nijdam.
|
|