|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2005 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 15 maart 2004, 03/565
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 juli 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juni 2006. Voor
appellant is verschenen mr. J.Th.A. Bos, advocaat te Utrecht. Het Uwv
heeft zich laten vertegenwoordigen door A.C.M. van de Pol.
II. OVERWEGINGEN
Appellant, die woonachtig is in Nederland, ontving een uitkering
ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) en een
(gehuwden)toeslag krachtens de Toeslagenwet (TW). In ieder geval vanaf
2000 verblijft appellant met toestemming van het Uwv zo’n negen
maanden per jaar in Turkije. Op de formulieren met betrekking tot de
begeleiding en controle WAO, WAZ, Wajong, TW vanaf 1999 heeft appellant
aangegeven dat zijn echtgenote in Turkije woont en dat de echtscheiding
loopt.
Bij besluit van 26 april 2002 heeft het Uwv aan appellant medegedeeld
dat zijn recht op toeslag per 1 april 2001 is komen te vervallen op
grond van de Wet beperking export uitkeringen (Wet BEU) omdat hij langer
dan drie maanden in Turkije verblijft.
In zijn bezwaarschrift heeft appellant onder meer gesteld dat zijn
echtgenote alimentatie van hem eist en hij zich afvraagt of de toeslag
die hij niet meer ontvangt zonder zijn medeweten naar zijn echtgenote
wordt overgemaakt. Voorts heeft hij aangegeven dat zijn maandelijkse
lasten in Nederland en in Turkije hoog zijn en ook zijn dagelijks
onderhoud duurder is dan voor mensen die in een gezin wonen, omdat hij
buitenshuis in restaurants moet eten. Naar aanleiding van het in het
bezwaarschrift aangevoerde heeft het Uwv aan de gemachtigde van
appellant bericht dat er ook geen recht op toeslag meer kan bestaan op
de grond dat appellant niet meer als gehuwde in de zin van de
Toeslagenwet kan worden aangemerkt en dat dit aspect op de hoorzitting
aan de orde zal worden gesteld.
Bij beslissing op bezwaar van 31 januari 2003 (hierna: het bestreden
besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.
Hiertoe is overwogen dat de intrekking van de toeslag per 1 april 2001
op grond van de Wet BEU niet juist was vanwege het toepasselijke
overgangsrecht dat voorziet in de afbouw van de toeslag in drie jaar.
Tijdens de bezwaarschriftprocedure is echter gebleken dat appellant op 1 april 2001 niet als gehuwde is aan te merken in de zin van de TW, nu
uit de voorhanden gegevens valt op te maken dat appellant in ieder geval
sedert april 2001 niet meer samenwoont met zijn echtgenote. Voorts
voldoet appellant ook als ongehuwde niet aan de voorwaarden voor het
recht op toeslag.
De rechtbank heeft het bestreden besluit in stand gelaten.
In hoger beroep heeft appellant betoogd dat het leven in Nederland en
Turkije erg duur is en dat hij de toeslag nodig heeft voor zijn
onderhoud. Voorts heeft appellant herhaald dat weliswaar de
echtscheidingsprocedure nog loopt, maar dat hij nog steeds officieel
getrouwd is. De gemachtigde van appellant heeft ter zitting nog
aangevoerd dat het Uwv ten onrechte een geheel nieuwe grondslag onder
het besluit heeft gelegd en dat dit besluit daarom niet voldoet aan het
motiveringsbeginsel. Het Uwv had dienaangaande een nieuw primair besluit
moeten nemen. Voorts is gesteld dat de intrekkingsdatum 1 april 2001
volstrekt willekeurig is gekozen.
De Raad overweegt als volgt.
Zoals de Raad reeds vaker heeft geoordeeld is het in het kader van de
bezwaarschriftprocedure in beginsel geoorloofd de grondslag van het
bestreden besluit te wijzigen, mits voorafgaande aan die besluitvorming
voldoende vergaring van relevante feiten en omstandigheden heeft
plaatsgehad en het besluit derhalve zorgvuldig tot stand is gekomen.
Naar het oordeel van de Raad kan in het onderhavige geval niet gesproken
worden van een onzorgvuldige besluitvorming, nu appellant onder andere
tijdens en na de hoorzitting voldoende gelegenheid heeft gehad zijn
standpunt met betrekking tot de gewijzigde grondslag kenbaar te (laten)
maken.
Op grond van de door appellant zelf naar voren gebrachte feiten en
omstandigheden, zoals die ook blijken uit het dossier, heeft het Uwv
aangenomen dat er in het geval van appellant sprake is van een situatie
van duurzaam gescheiden leven van de persoon met wie hij gehuwd is en
dat appellant om die reden op grond van artikel 1, derde lid, aanhef en
onder b van de TW als ongehuwd dient te worden aangemerkt.
Blijkens vaste rechtspraak is van duurzaam gescheiden leven sprake
indien ten aanzien van gehuwden de toestand is ontstaan dat, na de door
beiden of een hunner gewilde verbreking van de echtelijke samenleving,
ieder afzonderlijk zijn eigen leven leidt als ware hij niet met de ander
gehuwd en deze toestand door hen beiden, althans door een hunner, als
bestendig bedoeld is. Appellant heeft niet betwist dat sprake is van een
feitelijke situatie van duurzaam gescheiden leven, doch slechts
aangegeven dat hij nog immer officieel gehuwd is en de toeslag voor zijn
onderhoud nodig heeft. Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv op
grond van bovenstaande appellant terecht als ongehuwd in de zin van de
TW aangemerkt en de toeslag die was gebaseerd op zijn situatie van
gehuwde ingetrokken. Ook overigens is de Raad niet gebleken dat voor
appellant uit anderen hoofde een recht op toeslag bestond. Met een beëindiging
van het recht op toeslag per 1 april 2001 is appellant gezien de
voorhanden gegevens niet te kort gedaan.
Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75
van de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van
proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en N.J. van
Vulpen-Grootjans en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 28 juli 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) P.H. Broier.
|
|