|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/4292
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 23 juni 2004, 03/2793
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 4 juli 2006. Appellant
is met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Het Uwv heeft zich
laten vertegenwoordigen door mr. H. van Wijngaarden.
II. OVERWEGINGEN
Op 30 april 2003 heeft appellant een toeslag op grond van de
Toeslagenwet (TW) aangevraagd. Bij besluit van 7 mei 2003, gehandhaafd
bij besluit van 5 augustus 2003 (hierna: het bestreden besluit), heeft
het Uwv appellant medegedeeld dat hij per 1 mei 2003 geen recht heeft op
een toeslag. Daarbij is overwogen dat recht op een toeslag bestaat
wanneer het inkomen van een betrokkene beneden het voor hem relevante
sociaal minimum op grond van artikel 2 van de TW ligt. Het voor
appellant geldende sociaal minimum bedroeg op 1 mei 2003 70% van het
bruto minimumloon per dag. Het inkomen van appellant op 1 mei 2003
bestond uit een vervolguitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ter
hoogte van eveneens 70% van het bruto minimumloon, zodat geen recht
bestond op een aanvullende toeslag.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant
ongegrond verklaard.
Appellant heeft de juistheid van deze uitspraak bestreden en, evenals in
beroep, aangevoerd dat zijn inkomen op 1 mei 2003 onder het sociaal
minimum lag, zodat hij wel recht had op een toeslag.
De Raad kan appellant hierin niet volgen. Met overneming van de gronden
in de aangevallen uitspraak is ook de Raad van oordeel dat het Uwv
appellant terecht geen toeslag op grond van de TW heeft toegekend.
Voor zover appellant meent dat hij recht had op een zodanige toeslag dat
zijn inkomen werd aangevuld tot 100% van het wettelijk minimumloon is
die opvatting onjuist. Appellant was op 1 mei 2003 een ongehuwde zonder
tot zijn huishouden behorende kinderen jonger dan 18 jaar. Ingevolge
artikel 2, derde lid, van de TW zou hij als zodanig recht op een toeslag
hebben wanneer hij per dag een inkomen zou hebben dat lager was dan 70%
van het minimumloon. Het inkomen van appellant was echter niet lager dan
70% van het minimumloon, maar daaraan precies gelijk.
Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt.
De Raad ziet geen aanleiding toepassing te geven aan artikel 8:75 van de
Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door K.J.S. Spaas als voorzitter en H.G.
Rottier en C.P.M. van de Kerkhof als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van T.S.G. Staal als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 8 augustus 2006.
(get.) K.J.S. Spaas.
(get.) T.S.G. Staal.
|
|