|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/5735
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 13 september 2004,
04/130 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 23 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Appellante heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 juli 2006.
Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten
vertegenwoordigen door A.P. Prinsen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad neemt als vaststaande aan de feiten die ook de rechtbank in
rubriek 3 van de aangevallen uitspraak als vaststaand heeft aangenomen.
De Raad volstaat hier met de vermelding dat het Uwv bij het besluit van
19 december 2003, hierna: bestreden besluit, de bezwaren van appellante
tegen de besluiten van 13 oktober 2003, inhoudende de beëindiging van
het recht op toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) met ingang van 21
oktober 2001, en 14 oktober 2003, strekkend tot terugvordering van de
onverschuldigd betaalde toeslag over de periode van 21 oktober 2001 tot
en met 31 augustus 2003 ad € 7.895,66, ongegrond heeft verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard en daartoe onder meer overwogen dat gesteld noch gebleken is
dat het Uwv bij besluit van 13 oktober 2003 de toeslag met ingang 21
oktober 2001 ten onrechte heeft beëindigd, zodat in zoverre de
ongegrondverklaring van het bezwaar terecht is.
Ten aanzien van de terugvordering van de onverschuldigd verstrekte
toeslag bij besluit van 14 oktober 2003, zoals eveneens gehandhaafd bij
het bestreden besluit, heeft de rechtbank met verwijzing naar de
wetsgeschiedenis en jurisprudentie van de Raad, overwogen dat het beroep
van appellante op dringende redenen als bedoeld in artikel 20, vierde
lid, van de TW om af te zien van terugvordering van de onverschuldigd
betaalde toeslag faalt.
Naar aanleiding van hetgeen appellante daartegen in hoger beroep heeft
aangevoerd, oordeelt de Raad als volgt.
De omstandigheid dat appellante aan haar informatieplicht jegens het Uwv
zou hebben voldaan, maar dat het Uwv vervolgens met de verstrekte
informatie slordig is omgegaan, laat onverlet dat de intrekking van de
toeslag en de daaruit voortvloeiende terugvordering op goede gronden
berust. Zoals de rechtbank met juistheid heeft overwogen, zien fouten
van het Uwv op de oorzaak van de terugvordering en leveren deze geen
dringende redenen op om af te zien van terugvordering.
Ten aanzien van appellantes beroep op haar financiële problemen
verwijst de Raad naar de overwegingen van de rechtbank dienaangaande en
maakt deze tot de zijne. De Raad wil in dit verband ter voorlichting van
appellante niet onvermeld laten dat de gemachtigde van het Uwv ter
zitting van de Raad heeft opgemerkt, dat appellante een verzoek tot
kwijtschelding kan indienen indien gedurende een periode van vijf jaar,
gelet op het inkomen van appellante, niet tot invordering van de
onverschuldigd betaalde toeslag is overgegaan.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen
uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter. De
beslissing is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier,
uitgesproken in het openbaar op 23 augustus 2006.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.
|
|