|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/3895
TW en 04/3896 TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 22 juni 2004, 03/549
en 03/963 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 11 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. R. van Asperen,
advocaat te Groningen. Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 juni 2006.
Appellante is niet verschenen; voor het Uwv is verschenen W.R. Bos.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 20 juni 2000 heeft het Uwv aan appellante op haar
aanvraag een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) toegekend. Bij
besluiten van 22 augustus 2002 wat 2000 betreft en bij besluiten van 19
september 2002 wat 2001 betreft heeft het Uwv de definitieve toeslag
vastgesteld en het over die beide jaren teveel aan toeslag betaalde (in
totaal € 6.991,37) van appellante teruggevorderd.
Bij besluit van 9 mei 2003 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren
van appellante tegen die primaire besluiten gegrond verklaard en het
totaal terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 6.217,61. Bij
de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante
tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak gemotiveerd aangegeven
dat het Uwv bij de berekening van de hoogte van de TW-toeslag terecht (éénmaal)
rekening heeft gehouden met de inkomsten van de echtgenoot van
appellante als gemeenteraadslid en dus terecht zowel de toeslag over de
beide jaren heeft herzien als tot terugvordering van het aan appellante
teveel betaalde is overgegaan.
In hoger beroep heeft appellante betoogd dat:
- in het kader van de TW geen rekening had mogen worden gehouden met de
inkomsten uit het gemeenteraadslidmaatschap,
- de rechtbank ten onrechte geen antwoord heeft gegeven op de vraag of
de wijze waarop de toeslag over de beide jaren is vastgesteld correct is
geweest,
- geen herzieningsbesluit is genomen,
- aangezien de rechtbank ook overigens niets over het
terugvorderingsaspect heeft overwogen, de aangevallen uitspraak
gebrekkig is tot stand gekomen en
- het teruggevorderde bedrag behoort te worden gematigd, omdat het
bestreden besluit onredelijk lang op zich heeft laten wachten.
De Raad overweegt als volgt.
De inkomsten uit het gemeenteraadslidmaatschap dienen naar het oordeel
van de Raad te worden aangemerkt als inkomsten uit arbeid anders dan in
dienstbetrekking, in de zin van artikel 6, eerste lid, onder a, van de
TW, gelezen in samenhang met de artikelen 2, aanhef en onder a, en
artikel 5, eerste lid, van het Inkomensbesluit TW (zie in dit verband
bij voorbeeld de uitspraken van de Raad, gepubliceerd in USZ 2006/147,
RSV 1995/196, RSV 1987/157 en RSV 2003/138, alsook de toelichting bij
artikel 3 van de Regeling samenloop arbeidsongeschiktheidsuitkering met
inkomsten uit arbeid, Stcrt. 1994, 34, en de nota van toelichting bij het
Besluit van 20 december 1993 tot wijziging van het Inkomensbesluit TW,
Stb. 1993, 745).
Te dien aanzien komt de Raad tot dezelfde conclusie als de rechtbank,
zij het langs een iets andere, meer directe weg. Enige aanleiding tot
vernietiging van de aangevallen uitspraak is in dat verschil evenwel
niet gelegen.
Anders dan appellante heeft betoogd, is door het Uwv met die inkomsten
niet tweemaal rekening gehouden. Die inkomsten zijn niet betrokken in de
vaststelling van de fiscale winst uit het eigen bedrijf, wat correct is,
daar die inkomsten niets van doen hebben met het drijven van de
desbetreffende onderneming, een veehouderij. Aangezien sprake is van een
negatieve winst uit onderneming, is met toepassing van artikel 6, derde
lid, van het Inkomensbesluit TW de winst terecht op nihil gesteld. Een
negatief belastbaar inkomen - waartoe na toepassing van met name de
zelfstandigenaftrek is gekomen - is niet van belang voor de
vaststelling van de inkomsten in de zin van de TW.
In het bestreden besluit is uitdrukkelijk vermeld dat daarbij alsnog
toepassing is gegeven aan artikel 11a van de TW inzake herziening van
een besluit tot toekenning van toeslag. Bij de toepassing van dat
artikel hanteert het Uwv een beleid dat is neergelegd in de Bijlage bij
de Regeling schorsing, opschorting, herziening en intrekking van
uitkeringen (van 18 april 2000, Stcrt. 2000, 89, in werking getreden op
11 mei 2000). Aan de voorwaarden voor herziening met volledig
terugwerkende kracht zoals beschreven in de Bijlage onder 3, is voldaan.
Gelijk het Uwv in zijn bij de Raad ingediende verweerschrift als zijn
mening heeft gegeven, had het appellante redelijkerwijs duidelijk kunnen
zijn dat de inkomsten van haar echtgenoot van invloed zijn op de hoogte
van de toeslag. Wegens het door appellante niet opgeven van diens
inkomsten uit het gemeenteraadslidmaatschap is aan haar aanvankelijk een
te hoog bedrag aan toeslag toegekend. Immers, in het door haar op 8 juni
2001 medeondertekende formulier “begeleiding en controle WAO, WAZ,
Wajong, TW 2000” noch bij de door haar op 16 juni 2000 ingediende
aanvraag is melding gemaakt van inkomsten uit het
gemeenteraadslidmaatschap van haar echtgenoot. Na ontvangst van de
aangifte inkomstenbelasting 2000 heeft het Uwv een onderzoek naar die
inkomsten ingesteld en is de toeslag over 2000 neerwaarts bijgesteld.
Voor 2001 geldt hetzelfde.
Aangezien het bij de terugvordering over 2000 en 2001 niet gaat om een -
discretionaire - bevoegdheid, doch ingevolge artikel 20 van de TW
om een verplichting, is matiging van het teruggevorderde bedrag niet aan
de orde. Van onzorgvuldigheid in de zin van gebrek aan voortvarendheid
sinds de constatering bij het Uwv dat een te hoog bedrag aan toeslag is
toegekend, is geen sprake. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd kan
niet blijken van een dringende reden die het Uwv bij de afweging van de
te dezen relevante omstandigheden aanleiding had behoren te geven geheel
of gedeeltelijk van terugvordering af te zien. Volgens vaste
jurisprudentie van de Raad kan een dringende reden slechts zijn gelegen
in de onaanvaardbaarheid van de gevolgen die een terugvordering voor de
verzekerde heeft. De omissie van appellante in de vorm van het niet
opgeven van haar partners inkomsten uit het gemeenteraadslidmaatschap
kan geen dringende reden opleveren, omdat die omstandigheid niet ziet op
de gevolgen die de terugvordering voor haar heeft.
Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellante faalt en dat de
aangevallen uitspraak - met (enige) verbetering van gronden, zoals
hiervoor aangegeven - dient te worden bevestigd.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door G.J.H. Doornewaard als voorzitter en J.
Brand en I.M.J. Hilhorst-Hagen als leden. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van M.C.T.M. Sonderegger als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 11 augustus 2006.
(get.) G.J.H. Doornewaard.
(get.) M.C.T.M. Sonderegger.
|
|