|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/2013
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 10 maart
2004, 02/2680 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna:
Uwv).
Datum uitspraak: 25 augustus 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.W. van de Wege, advocaat te Eindhoven,
hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 juli 2006.
Appellant is, met kennisgeving, niet verschenen. Het Uwv heeft zich
laten vertegenwoordigen door W.F. Bergman.
II. OVERWEGINGEN
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie
werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet
structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding
het Uwv in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv).
In deze uitspraak wordt onder het Uwv mede verstaan het Lisv.
Het Uwv heeft bij besluit van 22 januari 2001 met ingang van 27 november
2000 een voorschot aan appellant toegekend, op een mogelijk ingaande
laatstgenoemde datum aan hem toe te kennen uitkering ingevolge de Wet op
de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), ter hoogte van f 97,22 bruto
per dag. Dit voorschot was gebaseerd op een mate van
arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% en een dagloon van f 150,-.
Vervolgens heeft het Uwv bij besluit van 8 maart 2001 een WAO-uitkering
aan appellant toegekend met ingang van 27 november 2000, berekend naar
de mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%, van f 24,71 bruto per
dag.
In februari 2001 heeft appellant aan het Uwv verzocht een toeslag
ingevolge de Toeslagenwet (TW) aan hem toe te kennen. Bij besluit van 16
maart 2001 heeft het Uwv met ingang van 27 november 2000 aan appellant
een toeslag toegekend ter hoogte van f 33,77 bruto per dag. Daarbij is
aangegeven dat de samengestelde uitkering (WAO-uitkering en toeslag)
vanaf 27 november 2000 f 58,48 bruto per dag bedraagt. Tevens blijkt uit
dit besluit dat slechts een toeslag toegekend kan worden wanneer het
inkomen van appellant minder bedraagt dan f 112,55 bruto per dag, zijnde
het bruto minimumloon per dag.
Nadat appellant in maart 2001 kennelijk had verzocht om toekenning van
een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) heeft het Uwv bij
besluit van 30 april 2001 met ingang van 1 januari 2001 een WW-uitkering
aan appellant toegekend ter hoogte van f 102,72 bruto per dag. In mei
2001 heeft het Uwv de aan appellant vanaf 1 januari 2001 verschuldigde
WW-uitkering betaald, waarbij kennelijk het onverschuldigd betaalde
voorschot op de WAO-uitkering is verrekend. Desgevraagd is aan appellant
telefonisch een toelichting gegeven op de nabetaling.
In januari 2002 heeft het Uwv vastgesteld dat vanaf 1 januari 2001 ten
onrechte een toeslag aan appellant is betaald, omdat na de toekenning
van de WW-uitkering niet is onderkend dat appellant vanaf die datum aan
WAO- en WW-uitkering tezamen meer ontving dan het bruto minimumloon.
Vervolgens heeft het Uwv bij besluiten van 30 januari 2002 de aan
appellant toegekende toeslag met ingang van 1 januari 2001 ingetrokken
en de over het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met januari 2002
onverschuldigd betaalde toeslag ad € 4.674,51 van appellant
teruggevorderd. Bij beslissing op bezwaar van 27 augustus 2002 (hierna:
het bestreden besluit) heeft het Uwv deze primaire besluiten
gehandhaafd.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij
heeft de rechtbank, onder verwijzing naar het door het Uwv gehanteerde
beleid als vastgelegd in de bijlage bij de Regeling schorsing,
opschorting, herziening en intrekking uitkeringen (Stcrt. 2000, 89,
hierna: de Regeling), overwogen dat het appellant in de periode van 1
januari 2001 tot mei 2001 niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij
ten onrechte een toeslag ontving, maar dat het hem vanaf mei 2001 wel
duidelijk kon zijn dat door de toekenning van de WW-uitkering met
terugwerkende kracht de toeslag ten onrechte aan hem werd verstrekt.
Namens appellant is in hoger beroep -
onder meer - aangevoerd dat
deze conclusie van de rechtbank niet valt te rijmen met het door het Uwv
gehanteerde beleid. De vaststelling van de rechtbank dat het appellant
gedurende het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met april 2001 niet
redelijkerwijs duidelijk kon zijn, dient naar zijn oordeel in ieder
geval te leiden tot de conclusie dat over dit tijdvak geen herziening
met terugwerkende kracht mogelijk is.
De Raad overweegt het volgende.
De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat het Uwv
terecht heeft vastgesteld dat appellant over het tijdvak van 1 januari
2001 tot en met januari 2002 geen recht had op een toeslag ingevolge de
TW, zodat over dit tijdvak onverschuldigd een toeslag aan hem is
betaald. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of het
Uwv met recht de aan appellant toegekende toeslag met terugwerkende
kracht tot
1 januari 2001 heeft herzien.
Met betrekking tot de herziening van het recht op toeslag merkt de Raad
op dat uit artikel 11a, eerste lid van de TW volgt dat indien de
uitkering ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend, het Uwv
gehouden is het desbetreffende besluit te herzien of in te trekken. Met
betrekking tot de toepassing van deze bepaling hanteert het Uwv het
beleid zoals neergelegd in de Regeling. In onderdeel 3 van de bijlage
bij de Regeling is ten aanzien van herziening of intrekking, onder meer,
het volgende vermeld:
"- Toedoen of redelijkerwijs duidelijk
(...)
Indien het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon zijn dat
hem ten onrechte uitkering werd verstrekt wordt in beginsel de
beslissing herzien of ingetrokken met terugwerkende kracht tot het
moment waarop het belanghebbende redelijkerwijs duidelijk was of kon
zijn dat ten onrechte of tot een te hoog bedrag werd verstrekt.
- Niet redelijkerwijs duidelijk
(...)
Indien aan belanghebbende over een periode waarover ten onrechte of tot
een te hoog bedrag uitkering is verstrekt een andere uitkering wordt
verstrekt, wordt de beslissing over eerst bedoelde periode ingetrokken
of herzien met ingang van de datum waarop de andere uitkering wordt
verstrekt. De ten onrechte of tot een te hoog bedrag verstrekte
uitkering wordt met de andere uitkering verrekend; voor zover een hoger
bedrag is verstrekt dan het bedrag van de andere uitkering wordt het
meerdere niet teruggevorderd."
De Raad heeft al eerder geoordeeld dat deze beleidsregels niet in strijd
komen met enige geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen
rechtsbeginsel, waaronder voornoemde wettelijke bepalingen, het beginsel
van de rechtszekerheid en het vertrouwensbeginsel.
Het geschil tussen partijen spitst zich toe op de vraag of het appellant
redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij van 1 januari 2001 tot en met
januari 2002 onverschuldigd toeslag ontving.
Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat het appellant in elk geval
vanaf begin mei, toen appellant kennis nam van het besluit van 30 april
2001 waarbij vanaf 1 januari 2001 een WW-uitkering was toegekend ter
hoogte van f 102,72 bruto per dag, duidelijk kon zijn dat ten onrechte
een toeslag aan hem werd verstrekt.
De Raad kan en zal voorts in het midden laten of het appellant voor de
periode vanaf 1 januari 2001 tot begin mei 2001 redelijkerwijs duidelijk was dat hij
ten onrechte toeslag ontving. Voorzover al gezegd moet worden dat het
ten onrechte verstrekken van toeslag appellant toen (nog) niet duidelijk
kon zijn, is de laatste hiervoor aangehaalde alinea van het beleid van
het Uwv van toepassing. Uit deze passage van het beleid volgt dat in dat
geval na toekenning van een andere uitkering, zoals in dit geval de
WW-uitkering, de ten onrechte eerder toegekende uitkering geheel
verrekend kan worden, zij het met inachtneming van een hier niet aan de
orde zijnde beperking. Het Uwv heeft weliswaar verzuimd om bij de
nabetaling van de WW-uitkering, naast het te veel betaalde voorschot op
de WAO-uitkering, ook de onverschuldigd betaalde toeslag te verrekenen,
doch de Raad vermag uit de hiervoor bedoelde passage niet af te leiden
dat het Uwv in zo’n situatie niet meer tot herziening ten aanzien van
zo’n tijdvak kan besluiten. Dit betekent dat het Uwv op grond van het
hiervoor weergegeven beleid terecht heeft besloten niet af te zien van
herziening met volledige terugwerkende kracht.
Ten aanzien van de onverschuldigd betaalde toeslag is het Uwv op grond
van artikel 20 van de TW gehouden tot terugvordering. Slechts in geval
van dringende redenen is het Uwv ingevolge het vierde lid van artikel 20
van de TW bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering.
Zoals de Raad reeds meermalen heeft overwogen kunnen dringende redenen
als hier bedoeld slechts zijn gelegen in de onaanvaardbaarheid van de - financiële en/of sociale
- gevolgen die een terugvordering voor een
verzekerde heeft. De Raad moet evenwel constateren dat gesteld noch
gebleken is dat appellant ten gevolge van de terugvordering in een
noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt, zodat geen sprake is van
dringende redenen op grond waarvan geheel of gedeeltelijk van
terugvordering afgezien kan worden.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan
houden en dat de rechtbank dit terecht in stand heeft gelaten. De
aangevallen uitspraak komt derhalve (zij het deels met wijziging van
gronden) voor bevestiging in aanmerking.
Nu de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft overwogen dat het
appellant van 1 januari 2001 tot 1 mei 2001 niet redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat
hij ten onrechte een toeslag ontving, hetgeen gelet op de beleidsregels
van het Uwv tot de slotsom had moeten leiden dat de intrekking van de
toeslag over dat tijdvak niet in overeenstemming was met die
beleidsregels van het Uwv, maar de rechtbank, zonder kenbare motivering,
tot een ander oordeel is gekomen, moet de Raad vaststellen dat de
aangevallen uitspraak wat dit onderdeel betreft innerlijk tegenstrijdig
en onbegrijpelijk is. Gelet hierop heeft appellant terecht hoger beroep
ingesteld. De Raad ziet hierin aanleiding te bepalen dat het Uwv het in
hoger beroep betaalde griffierecht aan appellant dient te vergoeden.
Voorts acht de Raad, op dezelfde gronden, termen aanwezig om het Uwv op
grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen
in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden
begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, te
betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. Deze
kosten dienen aan de griffier van de Raad betaald te worden, aangezien
ten behoeve van appellant een toevoeging is verleend krachtens de Wet op
de rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in hoger beroep
tot een bedrag groot € 322,- te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het in hoger beroep gestorte recht van € 102,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door M.M. van der Kade als voorzitter en T.L.
de Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid
van A. Kovács als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 augustus
2006.
(get.) M.M. van der Kade.
(get.) A. Kovács.
|
|