|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/413
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 17 december 2003,
03/1042 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 8 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.A.J. Delescen, advocaat te Roermond, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een vraag van de Raad
beantwoord, waarna namens appellant nadere gegevens zijn verstrekt.
Bij brief van 8 mei 2006 heeft het Uwv de Raad bericht de in geding
zijnde beslissingen niet langer te handhaven.
Naar aanleiding hiervan heeft de gemachtigde van appellant de Raad op 15
juni 2006 medegedeeld zich met het nadere standpunt van het Uwv te
kunnen verenigen. Daarbij is de Raad verzocht om gegrondverklaring van
het hoger beroep, vernietiging van het bestreden besluit van 23 juli
2003 en van de aangevallen uitspraak. Voorts is verzocht het Uwv te
veroordelen in de proceskosten van appellant en tot vergoeding van
wettelijke rente.
Na verkregen toestemming van partijen heeft de Raad met toepassing van
artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat het
onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.
II. OVERWEGINGEN
Bij besluit van 21 maart 2003 heeft het Uwv de bedragen van de aan
appellant krachtens de Toeslagenwet (TW) over de periode van 1 januari
2000 tot en met 31 december 2001 betaalde toeslag na herberekening
aangepast.
Bij besluit van 24 maart 2003 heeft het Uwv van appellant een bedrag van
€ 221,86 (netto € 205,23) aan onverschuldigd betaalde toeslag
teruggevorderd.
Bij besluit van eveneens 24 maart 2003 heeft het Uwv aan appellant
medegedeeld dat hem wegens schending van de mededelingsverplichting een
boete van € 45,- wordt opgelegd.
Bij beslissing op bezwaar van 23 juli 2003 (hierna: het bestreden
besluit) heeft het Uwv appellants bezwaren tegen de besluiten van 21 en
24 maart 2003 ongegrond verklaard.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellant
tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Nadat mr. Delescen namens appellant tegen die uitspraak hoger beroep had
ingesteld en op verzoek van de Raad nadere gegevens van - onder meer - de belastingdienst had ingezonden, heeft het Uwv bij de in rubriek I
van deze uitspraak vermelde brief van 8 mei 2006 bericht het bestreden
besluit niet langer te handhaven.
De Raad stelt vast dat er gelet op het bovenstaande tussen partijen geen
geschil meer bestaat over de inhoud van het - niet gehandhaafde - bestreden besluit, zodat de Raad zich van een oordeel daaromtrent zal
onthouden.
Appellant heeft nog wel belang bij een vernietiging van het bestreden
besluit, aangezien hij heeft verzocht het Uwv op de voet van artikel
8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te veroordelen tot
vergoeding van renteschade. Met betrekking tot dit verzoek stelt de Raad
voorop dat het bestreden besluit slechts betrekking heeft op de
herziening en de terugvordering van reeds toegekende en betaalde toeslag
over het jaar 2000 en op de oplegging van een boete. Het verzoek om
toekenning van renteschade is derhalve slechts toewijsbaar voorzover
appellant ter uitvoering van het bestreden besluit bedragen heeft
(terug)betaald aan het Uwv, waarbij de wettelijke rente verschuldigd is
vanaf de datum waarop appellant die bedragen aan het Uwv heeft betaald
tot aan de datum waarop het Uwv die bedragen aan appellant heeft
terugbetaald.
Ten aanzien van het verzoek tot vergoeding van de proceskosten acht de
Raad termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van de Awb te
veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger
beroep. Deze kosten worden, met inachtneming van het Besluit
proceskosten bestuursrecht (Bpb), begroot op € 322,- voor verleende
rechtsbijstand in beroep en op € 483,- voor verleende rechtsbijstand
in hoger beroep, totaal derhalve € 805,-. Op het ingezonden formulier
proceskosten heeft de gemachtigde van appellant voorts een bedrag van
€ 58,61 opgevoerd als kosten van een deskundige in verband met een
declaratie van een accountantskantoor. Deze kosten komen naar het
oordeel van de Raad niet voor vergoeding in aanmerking, aangezien niet
is gebleken van een verslag van een deskundige, als bedoeld in artikel
1, onder b, van het Bpb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
Veroordeelt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen tot
vergoeding van de schade zoals hiervoor is aangegeven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant tot een bedrag
groot € 805,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen, waarvan € 322,- aan de griffier van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het door hem in eerste aanleg en in hoger beroep betaalde
griffierecht van in totaal € 118,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van J.J.B. van der Putten als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 8 september 2006.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) J.J.B. van der Putten.
|
|