|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/6342
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 5 november 2004, 04/430
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 september 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat te Groningen, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 2
augustus 2006. Appellant en het Uwv zijn, beide met voorafgaande
kennisgeving, niet verschenen.
II. OVERWEGINGEN
Appellant ontvangt een uitkering ingevolge de Wet op de
Arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), die sedert 4 september 2002
werd berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%.
Daarnaast ontving appellant een gehuwdentoeslag ingevolge de
Toeslagenwet (TW) ter hoogte van € 16,64 per uitkeringsdag. Per 12
oktober 2002 is appellant in verband met een echtscheidingsprocedure
verhuisd. Appellant heeft het Uwv via een “Formulier Opvragen
gegevens” op 17 oktober 2002 van de gewijzigde gezinssituatie op de
hoogte gebracht. Vervolgens heeft het Uwv hem aangemerkt als ongehuwd in
de zin van artikel 1, derde lid, onder b, van de Toeslagenwet. Bij
besluit van 7 februari 2003 heeft het Uwv de toeslag per 1 februari 2003
voorlopig beëindigd. Bij twee besluiten van 26 september 2003 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat de toeslag
ingaande 12 oktober 2002 is vastgesteld op € 4,65 per uitkeringsdag, en dat een
bedrag van € 1.060,53 bruto aan onverschuldigd betaalde toeslag van appellant
wordt teruggevorderd. Het namens appellant tegen deze besluiten gemaakte
bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 29 april 2004 (hierna: het
bestreden besluit) ongegrond verklaard.
De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond
verklaard.
Namens appellant is zowel in bezwaar, in beroep als in hoger beroep
onder verwijzing naar artikel 3 van de Bijlage bij de Regeling
schorsing, opschorting, herziening en intrekking van uitkeringen van 18
april 2000, Stcrt. 89, zoals gewijzigd bij de Regeling van 7 augustus
2003, Stcrt. 154, aangevoerd dat ten onrechte met terugwerkende kracht
uitkering wordt teruggevorderd. Voorts heeft appellant onder verwijzing
naar de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 mei 2003, LJN
AF9307, gesteld dat het Uwv het fairplaybeginsel heeft geschonden, nu
pas bijna een jaar nadat appellant de wijziging had doorgegeven tot
terugvordering is overgegaan. Appellant meent dat het doorgeven van een
wijziging in zekere zin ook een aanvraag is waarop tijdig en adequaat
dient te worden gereageerd. Appellant acht zijn psychisch en financieel
lijden een dringende reden om van terugvordering af te zien.
In hoger beroep heeft appellant bovendien immateriële schadevergoeding
gevorderd op de grond dat hij zwaar gebukt gaat onder deze en andere
procedures.
De Raad stelt vast dat, anders dan het Uwv in zijn verweerschrift
aangeeft, gezien de beroepsgronden in hoger beroep niet alleen de
terugvordering maar ook de herziening van de toeslag in geding is.
De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het Uwv de aan appellant
toegekende toeslag met terugwerkende kracht mocht herzien naar een
ongehuwdentoeslag. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank
dat appellant redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat zijn echtscheiding
gevolgen zou hebben voor zijn recht op toeslag. De informatie die
appellant bij de toekenning van de toeslag heeft ontvangen alsmede de
tekst van het toekenningsbesluit van 26 juni 2002 maken dat voldoende
duidelijk, terwijl voorts kan worden aangenomen dat appellant zich
daarvan bewust was. Hij heeft immers terstond mededeling gedaan van de
verandering in zijn leefsituatie. Nu appellant over de periode van 12
oktober 2002 tot 1 februari 2003 een gehuwdentoeslag heeft ontvangen, is
over deze periode aan appellant onverschuldigd uitkering betaald.
Ingevolge artikel 20, eerste lid, van de TW wordt de toeslag die
onverschuldigd is betaald door het Uwv van degene die aanspraak maakt op
die toeslag teruggevorderd. Ingevolge het vierde lid van artikel 20 van
de TW kan het Uwv, indien daarvoor dringende redenen zijn, geheel of
gedeeltelijk van terugvordering afzien.
De Raad stelt vast dat appellant de hoogte van het door het Uwv
teruggevorderde bedrag aan onverschuldigd betaalde toeslag niet
bestrijdt. Van een dringende reden om van terugvordering af te zien is
de Raad niet gebleken. De omstandigheid dat het Uwv niet eerder dan in
september 2003 tot terugvordering is overgegaan kan niet als dringende
reden worden aangemerkt. In dat verband wijst de Raad op zijn vaste
jurisprudentie waarin is vastgelegd dat de Raad geen ruimte ziet voor
het aannemen van een dringende reden op de grond dat sprake is van
schending van enig beginsel van behoorlijk bestuur. Deze jurisprudentie
is onder meer terug te vinden in de uitspraak van de Raad van 2 augustus 2005,
LJN AU0911, waarbij voormelde uitspraak van de
rechtbank ’s-Gravenhage is vernietigd. Het vorenstaande betekent dat
het bestreden besluit in stand kan blijven en dat de aangevallen
uitspraak dient te worden bevestigd.
Het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade wijst de
Raad af, nu de primaire besluitvormingsfase niet zodanig traag is
verlopen dat zou moeten worden gezegd dat het Uwv onzorgvuldig te werk
is gegaan. Voorts is in dat verband van belang dat het Uwv reeds per 1
februari 2003 de uitbetaling van de toeslag heeft opgeschort, waardoor
het terug te betalen bedrag niet onnodig hoog is opgelopen.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en M.S.E. Wulffraat-van Dijk en
M.C.M. van Laar als leden. De beslissing
is, in tegenwoordigheid van J.J. Janssen als griffier, uitgesproken in
het openbaar op 13 september 2006.
(get.) Ch. Van Voorst.
(get.) J.J. Janssen.
|
|