|
Uitspraak
meervoudige kamer 04/3839
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 mei 2004, 03/1673
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 13 oktober 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juli 2006.
Appellant is daar - met voorafgaand bericht - niet verschenen. Het
Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.
II. MOTIVERING
Appellant ontving sinds 13 oktober 1977 wegens bij hem bestaande
arbeidsongeschiktheid uitkeringen krachtens de Algemene
Arbeidsongeschiktheidswet (AAW) en de Wet op de
arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Sedert 1 februari 1989 ontving appellant tevens een toeslag ingevolge de
Toeslagenwet (TW). Bij besluit van 7 februari 2001 heeft de
rechtsvoorganger van het Uwv de aan appellant toegekende
arbeidsongeschiktheidsuitkering met ingang van 29 juli 1999 herzien en
nader vastgesteld naar de mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot
100%.
Bij besluit van 15 november 2002 heeft het Uwv ingaande 29 juli 2000 de
ingevolge de TW toegekende toeslag beëindigd, op de grond dat appellant
niet langer voldeed aan de voorwaarde, dat hij per dag een inkomen heeft
dat lager is dan het minimumloon. Daarbij is het Uwv er van uitgegaan
dat het inkomen van appellant € 91,04 per dag bedroeg en het
minimumloon € 63,73 per dag.
Bij beslissing op bezwaar van 15 april 2003 (hierna: het bestreden
besluit) heeft het Uwv het besluit van 15 november 2002 na bezwaar
gehandhaafd.
Nadat namens appellant tegen het bestreden besluit beroep was ingesteld,
heeft het Uwv een door de rechtbank voorgelegde vraag bij brief van 3
mei 2004 als volgt beantwoord:
“Uit de gegevens in het dossier blijkt dat eisers recht op toeslag had
moeten worden beëindigd met ingang van de ophoging van zijn WAO-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, dus
met ingang van 29 juli 1999. Per abuis is dit eerst met ingang van 29
juli 2000 gebeurd, kennelijk doordat er per vergissing is uitgegaan van
een wachttijd van 52 weken sinds de toename van de arbeidsongeschiktheid.
Zorgvuldigheidshalve zullen wij op de gehanteerde onjuiste datum niet
terugkomen.
Voor wat betreft de in de beslissing op bezwaar van 15 april 2003
genoemde beroepsprocedure moeten wij u mededelen dat hier sprake is van
een feitelijke onjuistheid, die naar ons oordeel geen gevolgen heeft
voor de juistheid van de beëindiging van het recht op toeslag. Juist is
de volgende omschrijving van gebeurtenissen die hebben geleid tot het
nemen van de bestreden en in bezwaar gehandhaafde beslissing:
‘Bij uitspraak van 9 juli 1999 heeft de rechtbank uw beroep ongegrond
verklaard, hetgeen betekende dat wij u terecht ingaande 1 juni 1995 voor
35-45% arbeidsongeschikt achtten.
Vervolgens meldde u zich ingaande 1 juli 1999 toegenomen
arbeidsongeschikt. Die toename kon naar ons oordeel niet leiden tot
verhoging van uw uitkering, aangezien u voor de toename van uw klachten
niet verzekerd was.
Tegen dit oordeel bent u in bezwaar gekomen, hetgeen leidde tot de
beslissing op bezwaar van 7 februari 2001. Met die beslissing op bezwaar
bent u ingaande vier weken na 1 juli 1999, ingaande 29 juli 1999
derhalve, voor 80-100% arbeidsongeschikt geacht. De toename van uw
klachten kwam voort uit dezelfde ziekteoorzaak als die had geleid tot
het toekennen van de uitkering, u was dus wel verzekerd.
Bij de afhandeling van de bezwaarprocedure werd vastgesteld dat aan u
uitkering moest worden nabetaald en dat de door u genoten
bijstandsuitkering moest worden verrekend. Verder moest opnieuw worden
beoordeeld of u, met het oog op de verhoging van uw WAO-uitkering,
ingaande 29 juli 2000 nog recht had op een toeslag.’
Wij verzoeken u de bestreden beslissing aldus gewijzigd te lezen.
Voorts verzoeken wij u, indien de gevraagde eerder ontbrekende gegevens
naar uw oordeel tot gegrondverklaring van het beroep zouden moeten
leiden, het beroep niet terug te verwijzen doch op basis van de
inmiddels bekende gegevens zelf te voorzien in de zaak, dan wel de
rechtsgevolgen in stand te laten. Eisers inkomen lag immers ook op de
naar nu blijkt onjuiste datum 29 juli 2000 met € 91,04 boven het
minimum van € 63,73 per dag, zodat terecht is geoordeeld dat hij geen
recht meer had op toeslag.”
Ter zitting van de rechtbank op 12 mei 2004 is voorts door de
gemachtigde van het Uwv - onder meer - verklaard dat zowel in het
primaire besluit als in de beslissing op bezwaar onjuiste bedragen zijn
vermeld. Ten tijde van belang bedroeg het gezinsinkomen van appellant in
werkelijkheid € 63,73 per dag (= 70% van het dagloon), terwijl het
minimumloon € 55,65 per dag was.
De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. Daarbij
is overwogen dat geen aanleiding bestaat consequenties te verbinden aan
de onjuiste motivering van het bestreden besluit, nu niet is gebleken
dat appellant daardoor in zijn belangen is geschaad. De rechtbank heeft
in dit verband vastgesteld dat ook op grond van de ter zitting genoemde
bedragen het gezinsinkomen van appellant vanaf 29 juli 2000 hoger was
dan het minimumloon, zodat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat met
ingang van die datum geen recht op toeslag ingevolge de TW meer bestond.
In hoger beroep heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat de
rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat appellant met
ingang van 29 juli 2000 geen recht meer had op toeslag ingevolge de TW.
Appellant meent namelijk onveranderd recht te hebben op een toeslag op
grond van de TW, aangezien zijn WAO-uitkering per die datum minder
bedraagt dan het voor hem geldende minimumloon.
De Raad overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat het Uwv terecht en
op goede gronden de aan appellant toegekende toeslag ingevolge de TW
ingaande 29 juli 2000 heeft beëindigd. De Raad stelt vast dat appellant
er niet in geslaagd is zijn stelling, dat hij na die datum nog aan de
voorwaarden voor het recht op toeslag voldeed, te onderbouwen.
Naar het oordeel van de Raad kan het bestreden besluit van 15 april 2003
echter desondanks niet in stand blijven. Het besluit is immers - naar
van de zijde van het Uwv is erkend - gebaseerd op onjuiste bedragen,
waardoor voor appellant onduidelijkheid is ontstaan omtrent zijn
aanspraak op toeslag. Het besluit dient derhalve wegens strijd met
artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te worden
vernietigd. Nu deze onjuiste motivering niet kan leiden tot continuering
van het recht op toeslag ziet de Raad aanleiding om met toepassing van
artikel 8:72, derde lid, van de Awb de rechtsgevolgen van het bestreden
besluit in stand te laten.
Ten slotte acht de Raad termen aanwezig toepassing te geven aan artikel
8:75 van de Awb inzake een vergoeding van proceskosten. Deze kosten
worden begroot op € 483,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en
€ 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal €
805,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak, voorzover aangevochten;
Verklaart het beroep tegen het bestreden besluit van 15 april 2003
gegrond en vernietigt dat besluit;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand
blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut
werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellant in eerste
aanleg en in hoger beroep tot een bedrag groot € 805,-, te betalen
door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan de griffier
van de Raad;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan
appellant het betaalde griffierecht van € 133,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen als voorzitter en T.L. de
Vries en H.J. Simon als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van
P.H. Broier als griffier, uitgesproken in het openbaar op 13 oktober
2006.
(get.) H. van Leeuwen.
(get.) P.H. Broier.
|
|