|
Uitspraak
enkelvoudige kamer 04/4291
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 24 juni 2004, 03/2664 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 3 november 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat te Rotterdam, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 september 2006,
waar appellante met bericht van verhindering niet is verschenen. Het Uwv
heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.G. Prijor.
II. OVERWEGINGEN
Aan de aangevallen uitspraak, waarin appellante als eiseres is aangeduid
en het Uwv als verweerder, ontleent de Raad de volgende feiten en
omstandigheden:
"In artikel 2, eerste lid, van de Toeslagenwet (TW) is bepaald dat
de gehuwde die recht op loondervingsuitkering en die per dag een inkomen
heeft dat lager is dan het minimumloon, recht op toeslag heeft.
In artikel 8, eerste lid, van de TW is bepaald dat voor personen bedoeld
in artikel 2, eerste lid, deze gelijk is aan het verschil tussen het
minimumloon en het inkomen. In het vierde lid van dit artikel is onder
meer bepaald dat de toeslag niet meer bedraagt dan het verschil tussen
het dagloon of de grondslag waarnaar de loondervingsuitkering is
berekend en de loondervingsuitkering, doch ten hoogste voor personen
bedoeld in artikel 2, eerste lid, 30% van het minimumloon. Voor de
toepassing van het vierde lid wordt de in het dagloon begrepen
vakantie-uitkering niet in aanmerking genomen, zo blijkt uit hetgeen is
bepaald in artikel 8, vijfde lid, van de TW.
Eiseres heeft aangevoerd dat zij per 13 december 2003 recht heeft op een
toeslag ingevolge de TW, bestaande uit een aanvulling op haar uitkering
tot 100% van het minimumloon. Bij een toeslag van 8,91, zoals haar
thans is toegekend, zal zij niet meer aan haar lopende verplichtingen
kunnen voldoen en in een financiλle dwangpositie terechtkomen.
Verweerder heeft hiermee ten onrechte geen rekening gehouden.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit de relevante wettelijke
bepalingen van de TW blijkt dat de toeslag niet onder alle
omstandigheden een aanvulling is op de uitkering tot het niveau van 100%
van het minimumloon. De toeslag is aan een maximum verbonden. De toeslag
bedraagt in het onderhavige geval 8,91 bruto per uitkeringsdag omdat
de toeslag niet hoger mag zijn dan het verschil tussen het WAO dagloon
van eiseres (exclusief vakantietoeslag) van 29,70 bruto en de
WAO-uitkering van eiseres van 20,79 bruto per dag (exclusief vakantietoeslag).
De rechtbank overweegt dat de TW een wet in formele zin is en dat
artikel 8 van deze wet waarin de hoogte van de toelage wordt bepaald
imperatief is. Het staat verweerder derhalve niet vrij van de in dit
artikel opgenomen bepalingen af te wijken, ook niet indien zich de door
eiseres gestelde sociale problemen zouden voordoen.
Verweerder heeft dan ook de toeslag moeten vaststellen op het verschil
tussen het in het vierde lid van artikel 8 TW voorgeschreven maximum, te
weten het WAO dagloon van eiseres (exclusief vakantietoeslag) en de
WAO-uitkering van eiseres (exclusief vakantietoeslag)
Het voorgaande in aanmerking nemende is de rechtbank van oordeel dat
verweerder dan ook de toeslag overeenkomstig de relevante bepalingen van
de TW terecht heeft vastgesteld op 8,91 bruto per uitkeringsdag.
Het beroep dient derhalve ongegrond te worden verklaard."
De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en maakt de daaraan
ten grondslag gelegde overwegingen tot de zijne. Hetgeen in hoger beroep
van de zijde van appellante is aangevoerd vormt in essentie een
herhaling van het gestelde in eerste aanleg en heeft de Raad niet tot
een ander oordeel kunnen brengen.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor
bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig voor toepassing van artikel 8:75 van
de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos. De beslissing is, in
tegenwoordigheid van W.R. de Vries als griffier, uitgesproken in het
openbaar op 3 november 2006.
(get.) D.J. van der Vos.
(get.) W.R. de Vries.
|
|