|
Uitspraak
meervoudige kamer 06/794
TW
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 5 januari 2006, 05/520 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 12 december 2006.
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H. Brouwer, advocaat te Utrecht, hoger
beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2006.
Appellante noch haar gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich
laten vertegenwoordigen door M. Florijn.
II. OVERWEGINGEN
De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten
en omstandigheden.
Appellante ontving als ongehuwd samenwonende sedert 1 april 2001 een
toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) op haar
arbeidsongeschiktheidsuitkering.
In augustus 2004 heeft appellante telefonisch bij het Uwv geďnformeerd
of zij nog recht had op toeslag omdat haar partner [partner] (hierna:
[partner]) niet meer bij haar woonachtig was, maar was opgenomen in
verband met een psychische ziekte. Naar aanleiding hiervan heeft het Uwv
de toeslag feitelijk beëindigd met ingang van 1 september 2004. Vervolgens heeft appellante bij brief van 13 september
2004 aan het Uwv haar situatie nogmaals uitgelegd en gevraagd of zij nog
recht heeft op een toeslag. Daarop heeft het Uwv bij besluit van 24
september 2004 de toeslag geweigerd.
Bij besluit van 1 februari 2005 heeft het Uwv het bezwaar tegen het
besluit van 24 september 2004 ongegrond verklaard op de grond dat [partner] niet
feitelijk woont bij appellante zodat geen sprake is van een gezamenlijke
huishouding en het totale inkomen van appellante meer bedraagt dan het
relevante sociale minimum.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het
besluit van 1 februari 2005 ongegrond verklaard.
Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen deze uitspraak
gekeerd.
De Raad komt tot de volgende beoordeling.
In de omstandigheid dat de toeslag feitelijk per 1 september 2004 is beëindigd
zonder dat ter zake een besluit is afgegeven, ziet de Raad aanleiding om
het besluit van 24 september 2004 te duiden als een besluit tot
intrekking van de toeslag per 1 september 2004.
In geschil is of op 1 september 2004 geen sprake meer was van een
gezamenlijke huishouding tussen appellante en [partner].
Ingevolge artikel 1, derde lid, aanhef en onder a, van de TW wordt als
gehuwd of als echtgenoot mede aangemerkt de ongehuwde meerderjarige die
met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding
voert, tenzij het betreft een bloedverwant in de eerste graad. Op grond
van het vierde lid van dat artikel is sprake van een gezamenlijke
huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning
hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het
leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel
anderszins.
Niet is betwist dat in ieder geval op de datum in geding aan het
verblijf van [partner] in de woning van appellante feitelijk een einde
was gekomen. Appellante heeft in haar contacten met het Uwv aangegeven
dat [partner] psychisch ziek is, in bewaring zit en zal worden opgenomen
in een kliniek, hetgeen duidt op gedwongen opname(s) in het kader van de
Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen. Uit deze door
appellante zelf verstrekte informatie heeft het Uwv redelijkerwijs
kunnen afleiden dat [partner] niet voor een kortstondige, maar voor
langere periode elders verblijf zou houden. Derhalve heeft het Uwv
terecht geconcludeerd dat [partner] geen hoofdverblijf meer had in de
woning van appellante. Hieruit volgt dat vanaf 1 september 2004 niet
langer sprake was van een gezamenlijke huishouding tussen appellante en
[partner].
De Raad merkt in dit verband op dat appellante de rechtbank tijdens de
op 5 september 2005 gehouden zitting heeft meegedeeld dat [partner] nog
steeds was opgenomen.
Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De
aangevallen uitspraak komt derhalve voor bevestiging in aanmerking.
De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Th.C. van Sloten als voorzitter en C. van
Viegen en L.H. Waller als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van A.C.
Palmboom als griffier, uitgesproken in het openbaar op 12 december 2006.
(get.) Th.C. van Sloten.
(get.) A.C. Palmboom.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van
verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden
(postbus 20303, 2500 EH ‘s-Gravenhage) ter zake van schending of
verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke
huishouding.
|
|